elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: smant

smant , smantje , (Oldampt) = lekkere hap of beet, en fig. = toevalletje, gelukje; daarvan: smantjen = smullen, vooral in de kindertaal. Oostfriesch de smant is d’r of, zooveel als: het beste, de room (fig.), de eerste snuf, enz. is er af; ook: treffer, gelukje, fortuintje. In de eerste beteekenis brengt ten Doornk. het tot het Nederduitsche en Middel-Nederduitsche smant, Hoogduitsch Schmant (room); Lipsland schmant = room, en: schmännen = smullen. Vgl. ook het Nedersaksische smalt, Nederlandsch smout, Hoogduitsch Schmalz. In de tweede beteekenis zou het uit een oorspronkelijk klanknabootsend stamwoord: smat, door invoeging der n, ontstaan zijn. Zie aldaar art. smant 2. (Zouden beide woorden niet één zijn met: smant, Schmant = room, vet, smout, enz.?)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
smant , smantje* , Hoogduitsch Schmant = room; vergel. dōffle *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
smant , t smantje , lekker hapje
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal