elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: smuigen

smuigen , smûgen , (sterk werkwoord) , iets ter sluik doen, oneerlijk handelen; zwijgend bedenken. 2e pers. ij smîgt (smiegt) (de andere personen komen zelden voor; de eerste nooit) gij doet oneerlijk. Wat zit ij daor te smûgen, wat zit gij daar zwijgend.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
smuigen , smoegen , smug’n , aan zwaarmoedigheid lijden, den rechten levenslust missen. In Westerwolde: an de smoegerei wezen = in de tering zijn. Drentsch smoeger = rondgaande verkoudheid. ‒ Ook wordt het van turf gezegd die verteert zonder vlam te geven, dat het ligt te smoegen, bij Auwen: rooken. Oostfriesch smugen, smûgen = misten, stofregenen, als nevel verschijnen, en bijvorm van: smoken, oudt. ook: smuycken, Zuid-Nederlandsch smuiken = sterk misten, stofregenen; smokelen = aanhoudend rooken en dampen; stofregenen, enz.; smuik, smuuk = dikke nevel, zware mist, enz. Bij Bolland: smug’n = gluiperig zijn.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
smuigen , smoegen* , vergel. smoezen *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
smuigen , smoegen , 1. branden zonder vlam (dit ook: smoezen en smoezeg) 2. peinzend staren
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
smuigen , smoegen , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = smeulen Pas op, dat paosvuurtje smoegt nog (Vtm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
smuigen , smoegen , werkwoord , 1. moeizaam en piepend ademhalen 2. (van pijpen waaruit men rookt) moeilijk lucht doorlaten 3. (van vuur) smeulen, niet goed branden 4. (van de lucht) betrekken, werken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
smuigen , smieuwken , werkwoord , mooipraten, vleien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal