elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: snok

snok , snōk , hik, Geldersch snik, Noord-Hollandsch nok, Kil. snock, en: snocken, nocken (vet.) = de hik hebben. Oostfriesch rijm: Snuk un ik spungen afer ’t mêr (of: d’fêr); snuk blêf weg un ik kwam wêr, het Groningsch: Snōk en ik vlogen over ’t meer; Snōk bleef weg en ik kwam weer. Dit kinderrijm dient drie malen achtereen zonder ademhalen opgezegd worden. West-Vlaamsch snik = hik. Om den snik te doen ophouden, zegt men, zonder verademen, vijf of zes keeren dit rijmpje: Ik meê Snik ging over zee; Ik kwam weer en Snik niet meê. (De Bo). – Zou hiermede ook in verband staan het huismiddeltje tegen den hik, om nl. iemand te doen schrikken?
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
snok , snōk* , beteekent in Zuid-Nederland “ruk”, dat de oorspronkelijke beteekenis van snōk en “snik” zal zijn.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
snok , snok , zelfstandig naamwoord de , Ruk, schok (verouderd) | ’t Peerd sting mit ’n snok stil.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
snok , snok , zelfstandig naamwoord de , Schat, liefste. | Wat wou je, m’n snok? Waarschijnlijk is snok een verkorting van snokker = lief, aardig. Zie snokker 2.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
snok , snokke , de , snokkes , (Zuidwest-Drenthe, noord) = sufferd Het is wat een snokke (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
snok , snok , zelfstandig naamwoord , de 1. snik 2. de hik, ook gezegd wanneer men langdurig last had van de hik
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
snok , snok , snuk , zelfstandig naamwoord , snokke, snukke , snokkie, snukkie , ruk Meddun snok overend komme Met een ruk gaan staan Ook snuk
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
snok , snukskes , korte rukjes
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
snok , snók , zelfstandig naamwoord, mannelijk , (Nederweerts, Ospels) snoep
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
snok , snuk , zelfstandig naamwoord , ruk, schok, stoot, hort; Henk van Rijen – 'Meej unne snuk schoot ie vurööt' - Met een schok kwam hij in beweging. WNT SNOK, zie SNUK, zelfstandig naamwoord m. (Mnl. snoc, snuc); 1) Ruk, soms ook: smak of schok. In zuidelijke dialecten. 2) Snik (gewestelijk in Z-Ned.); Antw. SNUK, zelfstandig naamwoord m., te Antw. ook SNOK, - ruk, korte, sterke trek Hft. SNUK, een korte ruk of schok. Men gebruikt het in een meer zoowel als in een min ligchamelijken zin. Z.a. WNT SNOK, SNUK - ruk, soms ook: smak of schok; snik; hik
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal