elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sprit

sprit , spriet* , Hoogduitsch Sprit = wijngeest; vergel. in dezelfde beteekenis: spiritus, Fransch esprit, Eng. spirit.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
sprit , spruut , de , (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = Duitse jenever Duutse spruut, dat smokkelden ze ien een zwienepuut (Bov), ‘Jenever, of spruut, volgens de smokkelaars 96% alcohol’ (hd)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal