elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: steek

steek , steek , (mannelijk) , 1) priesterhoed. 2) voor ’t Hollandsche spit, spade. Een steek diep is een spa diep. 3) geen steek = niet, niets. , 3) Ik zie geendat is ter oorzake der duisternis niets zien.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
steek , steke , (mannelijk) , steek.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
steek , steek , (mannelijk) , stèke , steek.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
steek , [geheel, zeer] , stèk , geheel; stèkeblind.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
steek , steken , in de aardappelen, ook: steeën, ousten, of: oogen = putjes, de kleine holten der kiemen wanneer die bij het schillen niet behoorlijk uitgehaald worden; zij het ’r steken in zitten loaten, zij mout ze weer noazijn. Als bewijs van afkeer van zulke slecht geschilde aardappelen hoort men: dei steken, zij kieken ijn zoo an! Zie ook: opsteken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
steek , stek , (onzijdig) = trek, in ’t kaartspel; ik heb alle stekken kregen = heb alle trekken gemaakt; ’t stek opnemen = dien trek halen en tot zich nemen. (Weil. v. Dale: slag, trek, steek, manlijk) Zie ook: stam 4.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
steek , steek , zoo diep als men met eene spade kan spitten; hij het zien toen twei steek omhoakt om neie grond boven te kriegen; steek, in: gijn steek kennen naien = door drukte geen tijd kunnen vinden om te naaien, nl. voor de huishouding; gijn steek van iets weten = er hoegenaamd niets van weten, nl. van eenig bericht of nieuws. Bij v. Dale: hij weet er geen speld van. Spreekwoord: ’n Gouie braister let wel ’n steek vallen = Het beste paard kan struikelen. Vgl. stik; zie: steken 1.
steekje, steekie, in: doar is ’n steekje an lös = op het gedrag van zoo iemand valt wel wat aan te merken, inzonderheid met betrekking tot meisjes. (Ook elders doch niet bij v. Dale.)
verdraide steek, zie: koordstreep.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
steek , steek* , 1: “geen steek” ook elders, v. Dale: hij weet er geen speld van.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
steek , steekje , stikje , (verbasterd: stikje) = een klein vuurwerkje, aldus naar den driehoekigen vorm genoemd, met kruit gevuld en de drie punten van zwavel voorzien; bij uitbreiding ook voor de kleinste soort van zwermers.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
steek , steek , mannelijk , suikerballetje
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
steek , stièkke , vrouwelijk , steek. Ne stièkke in de zied.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
steek , stekke , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , stekn , steksken , steek, bij handwerken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
steek , steek , zelfstandig naamwoord de , Ook: 1. Afgestoken diepte of hoeveelheid. | Je moete ien steek diep spitte. Gooi d’r maar ’n steek grond over. 2. Grote kokkin of stroopbal in de vorm van een steek (hoofddeksel). De katholieken gebruikten ze o.a. in de vastentijd. Meervoud steke. Breisteken, in de zegswijze grôte steke die breke, neem niet te veel hooi op je vork, want dat gaat op den duur mis.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
steek , sjteek , mannelijk , sjteek , sjteekske , steek. ’t Kan mich geine sjteek sjaele: het kan me geen zier schelen. Geine sjteek van aan; geine sjteek va los, geine sjteek van waor: daar is niets van waar.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
steek , steek , priestersteek met een ronde luifel.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
steek , stèè , uitdrukking om aan te duiden, dat men ergens pijn heeft, b.v. in het hoofd.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
steek , stikke , ijzeren pen in de grond voor het vastzetten van een dier.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
steek , steek , 1. snoepje; 2. steek.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
steek , stekke , stek , steek; * stekke in de zied: steek in de zij.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
steek , steek , steke , de , steken , Ook steke (Zuidwest-Drenthe in bet. 2.) = 1. steek Hij kreeg een steek van een bije (Die), Hij gaf hom een steek onder waoter trof hem met een boosaardige opmerking (Row) 2. soort snoepje, bruin stroopballetje (Zuidwest-Drenthe) Ik kreeg een steke bij de koffie, maar Doe mij mar een steek in de koffie harde suikerklont (Ker) 3. plaats, waar het varken bij de slacht werd gestoken Dit stuk van de keel met de steek er in wuur ’s aovends nao het slachten eten. Vaak was der femilie bij (Sle) 4. punthoed De steek van de begrafenisundernemer (Bor), ook gezegd van de mijter van Sinterklaas (Zuidwest-Drenthe, noord) Een steek, zo nuumden wij de hoed van Sunterklaos (Vle) 5. oog in een aardappel Wat zit er een steken, ...ogen in die eerpel (Hgv) 6. spit Eerappels krabben in ain koele en dan stro der over mit ain steek grond (Vtm), Er zit wel twee steek mest in de potstal (Dro), Een steek is de diepte die een spitter mit iene spit mit het blad van de schuppe berekken kan (Wsv), in veenderijen: ‘Met een steek werd bedoeld de lengte van het iezer van de stikker. Als men veenputten (hoesbraand) ging verkopen, dan moest men dit anvraogen bij GS. Dan kwam er later iemand die ging meten hoeveel steek veen er zat en aan de hand daarvan kreeg men bericht hoeveel steek men mocht graven. Ging men te diep vervenen dan kwam het land te laag te liggen’ (Bui), Daor zit zes klem veen. Een steek is een klem (Geb), Ain steek veen is ong. 30 cm (Twe) 7. breisteek Houveul steken aj opzetten moeten, hangt of van de grootte van de trui (Nor) 8. in gien steek niets Ik wait er gain steek van (Twe), Ik zie gien steek in het duuster (Bei), Dat is een leegloper, die vret nooit een steek uut (Schn) 9. in in de steek laoten verlaten, achterlaten Toen zien vrouw ziek weur, hef die kerel hèur in de steek laoten (Wes) 10. in een steek angeven techniek om één paard zwaarder te laten trekken Aj een jong pèerd naost een aolde doet, doej de aolde een steek an, ...an de kont je stak de bout in een ander gat van de evenaar, waardoor het oudste paard harder moet trekken (Sle) *Aj hönnig wilt winnen, muj de steken veur lief nemen (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
steek , [een stekend gevoel, b.v. pijn in de zijde] , steekt , pijn in de zijde.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
steek , steek , 1. steek. Gunninks woordenlijst van 1908: Gin steek ‘volstrekt niets’; 2. soort snoepgoed; 3. pruim tabak; 4. Gunninks woordenlijst van 1908: driekante hoed.
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
steek , stik , zelfstandig naamwoord , de 1. keer dat met iets scherps wordt gestoken of geprikt 2. prikkend, stekend gevoel 3. schimpscheut 4. diepte van de spade waarmee men steekt, kan steken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
steek , steek , zelfstandig naamwoord , de 1. steek bij de bewerking van stoffen: breisteek, borduursteek, naaisteek e.d. 2. punthoed 3. de mijter van Sinterklaas 4. koplaag van een korenmijt 5. hetz. als stik, keer dat men met iets scherps steekt (stik is gewoner) 6. oog in een aardappel, zie ook stikke, bet. 6 en stek, bet. 7 7. schimpscheut, vooral in (iene) een steek onder waeter (geven) 8. diepte van de spade waarmee men steekt/kan steken, bijv. iene steek diepe 9. bep. zuurtje: babbelaar of stroopballetje 10. in gien steek helemaal niets 11. ondersteek
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
steek , sjtiëk , zelfstandig naamwoord mannelijk , sjtiëke , sjtiëkske , steek , VB: 'nne sjtiëk van 'n mök, van e mets.; mespunt VB: 'nne sjtiëk boëter bié de kuul doén.; hoeveelheid (een kleine hoeveelheid) sjtiëk VB: 'nne sjtiëk boëter
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
steek , stéék in de zéíj , pijn in de zijde
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
steek , steek , stèke , (zelfstandig naamwoord) , suikerballetje als snoepje, gemaakt van bruine suiker (zwarte steek), of van witte (blanke steek of slebbällegien).
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
steek , stèèk , (zelfstandig naamwoord) , 1. steek. Ik krege een stèèk in mien zied; 2. insectensteek.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
steek , staek , zelfstandig naamwoord, onzijdig , (Ospels) bodem van fles/glas
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
steek , steek , zelfstandig naamwoord , steek; 1. niets; Den Sik aat dieën middag geen steek. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 – 18-4-1939); 2. het steken; WBD steek (II:924) - het steken van of met een naald; WBD III.3.1:246 'een steek onder water geven' = bedekt een onaangenaamheid zeggen; 3. de wonde die veroorzaakt wordt door de slager als hij het varken de doodsteek toebrengt - dat deel van het varken dat als lekkernij gold; Cees Robben -  Robben en rooms; Tilburg 1981 - Daags daarna werd het varken afgekapt. De grote stukken gingen de kuip in en het klein goed ging terzijde voor de bloedworst, de zult, de kaoikes en de balkenbrij. De hersens en ‘de steek’ werden het eerst gegeten... dat was het ‘smodderpötje’. Daar kon onze pa zich te goed aan doen... dan glommen z'n kien en z’n wangen van al dat kösselijk vet.’; Cees Robben – Hedde trek in ’t smodderpötje/ mee den steek.. (19550205); Audioregistratie 1978 - Èn den irsten aovend as en varreke geslacht was, hi, dan wast borrele mar dan wèrd de steek…  daor die gestooke was dètter rond omheene zat, dè wèrd dan in de pan gebraoje! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal