elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: steiger

steiger , stijger , een soort van hoofd, dat van de kade afsteekt en in het water uitsteekt. Ook in Noord-Holland gebruikelijk. [Aanvulling J. van Lennep: Men heeft te Amsterdam den mosselsteiger (want zoo spelt men daar het woord) en een menigte andere steigers, în keuren en stadsbeschrijvingen vermeld. ’t Woord is, als plaats waar men uit een vaartuig aan wal stijgt of steigert, vrij algemeen gebruikelijk.]
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
steiger , steiger , (mannelijk) , steiger.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
steiger , vliegende steiger , (in geschrifte); steiger die niet in den grond maar in het muurwerk bevestigd is, “Wat aangaat de beschuldiging van het niet hebben doen plaatsen van een schriksteiger, heeft de rechtbank overwogen, dat zulks niet altijd pleegt te geschieden bij de zoogenaamde vliegende steigers.” (1874).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
steiger , staigern* , zie steigering .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
steiger , stäiger , mannelijk , steiger
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
steiger , sjtieger , mannelijk , sjtiegesj , mijnopzichter (ondergronds).
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
steiger , steiger , staiger, staaiger , de , steigers , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook staiger, staaiger (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = steiger Hij löp net over de raand van de steiger (Rui), Kerktoren steeit in de steigers (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
steiger , steiger , steiger
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
steiger , steiger , zelfstandig naamwoord , de 1. bouwsteiger e.d. 2. hetz. als dongsteiger 3. schutting tussen het woonhuis en de vuurhutte 4. steiger langs het water (om aan te leggen)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
steiger , steiger , hij lôôp op de donkere steiger, dit wordt gezegd van een klok, wanneer hij niet gelijk loopt
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal