elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: steker

steker , stikker , scherp ijzeren werktuig tot het afsteken, het stikken, der turven in de venen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
steker , steker , stek, stekje.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
steker , stekers , de spelden die aan de zijden van de stiften worden gestoken, en met deze, benevens het ooriezer, de ploat, en de kanten muts (Friesch: kap, Groningsch flōttermuts) het hoofdtooisel of de zoogenaamde Friesche dracht uitmaakt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
steker , steker , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – Bij bruggen. Een der in de grond geslagen palen waarop de kalven der brug komen te rusten. || Item, dat alle de Weelen in de respectieve weg gelegen, sullen syn voorsien met goede sterke vlonders, ... vlak in de kalven ingelaten, welke kalven, daer de vlonders op leggen rusten, in de steekers sullen moeten syn ingelaten, ten minsten vier duym ... Item, dat van nu voortaen ... onder yder kalf noch een derde steeker wel vast in de gront sal worden geset, met een lip by ’t kalf op (keur v. 1659), Handv. v. Assend. 206. Meede sullen de weelen ... moeten gemaekt werden met een gelykelyke op- en overgang, en de posten (vlonders) niet hooger als 4 voeten uyt gemeen soomerwaeter mogen leggen, ... en de steekers moeten wijt staen in de overgang 4 voeten op zijn minste, niet nauwer, maar wel wijder. Hs. keur v. Westzaanden (einde 17de e.), archief van Wormerveer, – Vgl. verder breisteker en hooisteker, alsmede insteker.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
steker , steker , ofsteker = stek, stekje.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
steker , stikker , mannelijk , soort veenspade
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
steker , steker , zelfstandig naamwoord de , 1. Zie steek. 2. Diamanten sierspeld. Zie poôtheersteker. 3. Besmette (tulpe)bol die andere aansteekt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
steker , steker , de , stekers , 1. steker, haarspeldje Zij hef een stekertie in het haor (Eri), Wie haren stekertjes of knippies in het haor (Erf) 2. steker bij het graven van turf (Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe), z. ook wadder, stikker
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
steker , stekerd , (Gunninks woordenlijst van 1908) in: een lepe stekerd op een dood värken ‘slimmerd (ironisch)’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
steker , stikker , stekker , zelfstandig naamwoord , de 1. spade waarmee men zoden steekt 2. bep. spade van degene die de turf stak, d.i. met een steel met een langwerpig blad van ong. 10 bij 38 cm (naderhand ong. 33 cm) 3. bep. pen waarmee men vaststeekt, vastzet 4. bep. kindervuurwerk: sterretje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
steker , sjtëkert , sjtikkert , zelfstandig naamwoord mannelijk , sjtëkerts , - , slipjas , sjtëkert (vero.); sjtikkert (vero.); steekhoed sjtëkert (vero.); sjtikker staaf (bep. puntige staaf) sjtikker VB: Vreuger woerte mêt 'nne sjtikker de loëker gemak vuur de perséssievèndelkes ién te zitte.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal