elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stommel

stommel , stummel , klein mensch, klein kind; Gron. dik stommel = een meisje (of vrouw) dat kort en dik is.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
stommel , stōmmel , stōmmeltje, stōmmeltien , kort eindje pijp, stompje; Holsteinsch smökstommel, Oostfriesch stummelke = eindje pijp; mousstōmmel = stronk van boerekool; dik stōmmel zegt men van een meisje (of: vrouw), dat klein en dik is; Drentsch stummel = klein mensch, klein kind. – Oostfriesch kôlstummel, ook: stummel fan ʼn bôm, fan ʼn pipe; Nedersaksisch stumpel, verkleinwoord van: stump, een kort afgesneden of overgebleven stuk; Westfaalsch stummel = stomp, stamstuk van een boom. Zie ook: otje;
kört stōmmeltje, zie: otje.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stommel , stōmmêls , zie: riddêl.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stommel , stommel , (stòmməl) , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Stoppel, stronk, stomp, afgesneden eind of rest van iets. Meestal in samenst., thans nagenoeg verouderd. || De schoorsteen … (moet) gemaackt werden … ten minsten seven voet vant hooy, strooy, turff, riet, hennip, vlasstommelen, scheefen ofte andere diergelijcke ruyge waren, Hs. keur (a° 1687), archief v. Krommenie. Item, dat niemant … sal vermogen te stoocken met eenige specie of ruyge waeren ende die te branden, als tabakstalen, boonenstommelen, mostert-, kool- ofte raepstommelen, idem (a° 1732), aldaar. – Het woord was ook elders in N.-Holl. gebruikelijk. || Item, van nu voirtan en sal men geen stroo, stommel, hoy, oudt dackriet, lichte rietsoeden … noch scelpen upten dijck brengen (keur v. de Vier Noorderkoggen, (a° 1510), O. Vad. R., Versl. en Meded. 2, 234. – Thans is in deze zin stummel nog bekend in Oost-Friesl. (KOOLMAN 3, 353). In Gron. kent men stommel alleen nog als naam voor een stompje pijp (MOLEMA 407); elders betekent het een blok brandhout (VAN DALE).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
stommel , stommels , zie scheut *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
stommel , stommel , stronk
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
stommel , stommel , zelfstandig naamwoord , wortelstronk (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Bens, Lop, Cab, Pols) Gebruikt als brandstof voor kachels. Zie het artikel De griendcultuur rond IJsselstein in hoofdstuk 5. Ook in Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 124) en in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Berns 1991, p. 151 en 157).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
stommel , stommel , strummel, strommel, stummel , de , stommels , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook strummel (Zuidwest-Drenthe, zuid), strommel (Zuidoost-Drents zandgebied), stummel (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. stomp, stronk Wat bint dat aole stommels van bomen (Eri), Ik bin vallen over een stommel van oous appelboom, die nog in de grond zat (Eex), Daor bint nog wat aolde stommels staon bleven (Sle), Ik zit aal met de schop op die aol stommels (Eex), Opa hef nog wat stommels in de mond stompjes van tanden (Rol) 2. oud persoon (Zuidwest-Drenthe, zuid) Van een olde kerel zegt ze wel: Hij is een olde stommel (Hgv), z. ook bij stummel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stommel , stummel , stommel , de , stummels , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe). Ook stommel (Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe, Veenkoloniën, in bet. 1.) = 1. kort eindje Een stummeltien van de sigaar (Pdh), Roege as de stummels van een heideboender (Smi), Der zit nog een stummel an de boom rest van een tak(Rol), In de wietels zaten de stummels nog in in de grove linnen lakens zaten nog de grove deeltjes (Dwi), z. ook bij stommel 2. klein mens (Zuidoost-Drents zandgebied, dva) Dat mèensch is ok mor een stummeltien (Sle) 3. mannelijk lid (Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe) Stummelie of tuultie (Pei), z. ook piel I, roep 4. onhandig persoon (Zuidwest-Drenthe, zuid) Wat een stummel! (Ker)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stommel , stommel , stummel , zelfstandig naamwoord , de; kort, resterend eind van iets (dat uitsteekt), bijv. Die het niks aanders as stommels in de mond een slecht gebit, oolde stommels van meensken oude, ingevallen, ingeschrompelde mensen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stommel , stommel , zelfstandig naamwoord , stommels , stommeltie , boomstronk
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal