elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stotteren

stotteren , stotteren , voor hakkelen. Dit laatste woord is hier echter in algemeen gebruik. Dit stotteren, zegt Hoeufft, verbeelde ik mij een frequentativum te zijn van het
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
stotteren , stuttêrn , zie: stutjen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stotteren , stutjen , steutjen, stuttêrn , stotteren, stamelen, waarvan: stutterboard, enz. Ook zegt men van een koffiepot, (een vat, enz.) dat hij begint te stutjen, wanneer hij bijna leeg is en het vocht er niet meer straalsgewijs uitloopt; d’r anstutjen komen = zacht gaande met een stokje in de hand, zich bij elken tred steunende; ook Oostfriesch. – stuttêrn = stotteren, frequentatieve vorm van: stooten; stutjen, met den verkl. uitgang. Zie ook: bōtjevoaren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stotteren , stuttern* , Engelsch to stutter.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
stotteren , stotteren , [stotәrrn̥] , stotteren
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
stotteren , stuttern , stotteren
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
stotteren , stottern , stöttern, stuttern , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook stöttern (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe), stuttern (Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) = stotteren Aj hum ankiekt, begunt e te stottern (Zwig), Hie stottert wal wat, maor hie komp er wal oet (Emm), Koomt er mar mit veur de dag en staot daor niet zo te stottern (Koe), z. ook stoten
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stotteren , stötteren , stòtteren , (Kampen) stotteren
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
stotteren , stötteren , (werkwoord) , stötteren, estötterd , stotteren.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal