elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: suizen

suizen , suisen , suizen, susen , (werkwoord) , zacht waaien. , Het suist. Zie Sussen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
suizen , sûzen , (zwak werkwoord) , suizen, soezen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
suizen , zoezen , (suizen) = onophoudelijk over eene zaak mopperen; lig doch nijt te zoezen = houd u daarover toch stil, maal mij daarmee niet langer aan de ooren; hij! wa’s dat ’n gezoes = foei! wat is dat een gemaal en gezeur; – ’t regent dat ’t zoest = het regent geweldig; (Drentsch: zij schieten dat ’t zoest en kraokt = zij schieten er geweldig op los); dank joe dat ’t zoest! = ’k zou je danken! Zie: roazen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
suizen , zoezen* , in de beteekenis van suizen (bij v. Dale ook: soezen) ook in de uitdrukking: ’t regent dat ’t zoest.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
suizen , soezn , zoezn , werkwoord, zwak , 1 suizend geluid maken, 2 met suizend geluid bewegen. k Daank oe dat’t soeznt, heel erg bedankt
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
suizen , soêze , suizen. ’t Soêst gruwelek in miene kop. Het suist vreselijk in mijn hoofd.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
suizen , soeze , soesde, haet gesoes/zousde, haet gezous , suizen; licht slapen, dutten. ’t Soes mich in de oore: mijn oren suizen. ’t Soesde langs mich door: het suisde langs me heen.; zouze met grote snelheid voortbewegen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
suizen , seuzje , suizen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
suizen , soezen , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. suizen Het soesde mij in de oren (Pdh), Heur de wiend ies deur de bomen soezen (Dwi) 2. onzin kletsen (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) Je bennen dik an het soezen (Nor), Hai soest er mor wat in om (Vtm), Ik bin hier neet gekomen om te soezen of te boezen deel van de tekst van een broedneuger (dva) 3. snel gaan Hij soesde mie met een vaort veurbij (Erf), Die vlint soesde mij bij de kop langs (Gas) 4. dutten Hie soesde morzo weg (Sle), Hij zat ien de grote stoel wat te soezen (Hgv) 5. zeuren Hol nou mor ies op te soezen (Hijk), Zit een ander niet zo um de oren te soezen (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
suizen , zôêzen , suizen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
suizen , soezn , suizen, suffen. De wiend begint in de boomm te soezn, ’t zal wel deuj wordn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
suizen , soezen , werkwoord , 1. een suizend geluid maken 2. een snelle beweging langs iets maken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
suizen , soezen , (werkwoord) , soezen, esoesd , 1. suizen, een geluid maken ten gevolge van een snelle beweging; 2. zacht ruisen van de wind of het ruisen in de oren.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
suizen , soezen , suizen, razen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
suizen , soeze , zoese, zoeze , soestj, soesdje, gesoesdj, zoestj, zoesd , suizen , Mien oeare soeze mich. ’t Soestj mich in miene kop. De piel zoesdje door de loch(t).
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
suizen , soeze , werkwoord , soesjtj, soesjdje, gesoesjdj , suizen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
suizen , soeze , werkwoord , soesj, soeszje, gesoesj , suizen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
suizen , zoeze , werkwoord , zoesj, zoeszje, gezoesj , fluiten, gieren, spelen met een zoes
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
suizen , sèùze , zwak werkwoord , sèùze - sèùsde - gesèùsd , suizen; ruisen van bomen; Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - suize (ui = eu van Fr. Meuse); WBD III.4. 3:87 sèùze - ruisen van bladeren; WBD III.1.1:249 'suizen' = suizen v. d. oren; ook: 'toeten', 'tuiten', 'hommen'; WBD III.4.4:247 'suizen' = ritselen, suizen; geen vocaalkrimping
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal