elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: t

t , t , vervangt dikwijls de tweede s, in woorden waarin die letter verdubbeld voorkomt: misten (missen); frister (frisscher); paster (passer); oppaster (oppasser); wister (wisser); bröster (brosser); löster (losser), enz. Voorts na de s bij ’t begin, bv.: sterpent (serpent); stêrvet (servet); sterzant (sergeant); Stervoas (Servaas, eigennaam); stervies (servies); Istrels (Israëls), Zie ook onder je, en: ster.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
t , t , Verzachting van de t in d, o.a. te Groningen en in de Veenkoloniën: tende (tent); badde (bat); kande (kant); krande (krant); stroade (straat); beedien (beetje, weinigje); zwoarde (zwaarte); schoedien (schoetje, schortje), enz. dikwijls gepaard gaande met verlenging der onvolkomen a, als kraande, kaande, waande, enz. In die gevallen valt de medeklinker ook geheel weg: taane, voor: tante; schaane voor: schande, enz. Vgl. aa.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
t , t* , vervangt dikwijls de tweede s, bij verdubbeling van deze letter, bvb. in misten* = missen, frister = frisscher, oppaster = oppasser. Ook wordt zij ingelascht nà de s, bvb. is sterpent* = serpent, stervet = servet, sterzant = sergeant, steldoat = soldaat, Istrels = Israels: vergelijk mest * = mes, alsmede de s vóór de t ingelascht in als te en veuls te. De inlassching in “is er” en “was er”, bvb. wel is tʼr? Jan was tʼr, is slechts schijnbaar, zie der *. – Achtervoeging van de t na ch (of g) en f, bvb. in genōcht * = genoeg, graft = graf, kraft = kraf of karaf. Over de wisseling van t (of d) en k zie onder K. Zeer merkwaardig is ʼt gebruik van deze letter vóór den verkleinuitgang je, vooral in het Oldambt, bvb. in oogtje, visktje (ook: vistje), enz. Vergel. bldz. 183 II en 565 II. Uit het laatste blijkt, dat in ʼt Westerkwartier de t liefst vermeden wordt, zelfs dan, wanneer ʼt Nederlandsche woord tje heeft.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
t , t , tj , kliktoon, geluid om biggen aan het zuigen te krijgen Om de biggen an het zoegen te kriegen, zeggen wai neit t,t,t, mor zoegen wai de t in (Nor), Dit geluud met de tong kuj hoger en/of leger maoken aj de lippen daorbij naor veuren en/of naor aachtern beweegt (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal