elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tabak

tabak , tebak , tabak. Zegswijs: da’s ander tebak = die soort (onverschillig waarvan), dat ding is veel beter. (v. Dale: dat is andere tabak dan kanaster = dat is iets geheel anders.) Vergelijking: ’n gezichte trekken as twei lood slechte tebak (Stad-Groningsch) = zuur, benauwd zien. Zie: thee. (Hierbij de samenstellingen: tebaksaske, -ask, -kistje, -kōmfoor, -deuze, deus.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tabak , tebak* , bij v. Dale “dat is andere tabak (dan knaster)” = dat is iets geheel anders, (eigenl. iets minders, want knaster is de beste soort.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
tabak , tebak , mannelijk , tabak
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
tabak , tebak , m , tabak. Er tebak van hébbe Er genoeg van hebben.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
tabak , tebak , zelfstandig naamwoord de , Tabak, in de zegswijze wat ’n zak tebak, wat een stommerd!
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
tabak , toebak , mannelijk , toebėkske , tabak.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
tabak , toebbek , tabak.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
tabak , tabak , tebak , de , Ook tebak = 1. tabak Inlandse tebak wuur in de oorlog verbouwd (Ass), Duvekater, noe he’k mien tebak vergeten (Eli), Nou muj mij niet slaon, aanders roep ik mien grote breur, die tabak proemt dreigement (Mep), Tabak proemen en het sap in de ogen sputtern geneeswijze bij oogziekte bij vee (Nsch), (fig.) Wij doet niet langer, wij hebt er tabak van zijn het beu (Sle) 2. rustpauze Jonges, even tebak, anders holdt wie het nich vol (Bov), Het elfuurtien was drinken of tebak holden (Eri)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tabak , tebak , tabak
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
tabak , tebak , tabak.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
tabak , tebak , zelfstandig naamwoord , de 1. tabak 2. tabaksplanten, bijv. tebak verbouwen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tabak , tebak , zelfstandig naamwoord , tebakke , tebakkie , tabak Een pakkie pruimtebak Een pakje pruimtabak Wie z’n cente wil zien schuive rôôk tebak en houw duive Wie zijn geld wil zien schuiven rookt tabak en houdt duiven
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
tabak , toûbak , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , tabak , VB: Ién den oerlog woerd van kiësebläojer toûbask gemak. Zw: Oét 't jaor toûbak: zeer ouderwets. Zw: Dat ês geng piép toûbak wërd:niets waard.; geng piép toûbak wërd zién lekker (niet lekker zijn) geng piép toûbak wërd zién; geng piép toûbak wërd zién waard (niet lekker zijn) geng piép toûbak wërd zién; oét 't jaor toûbak ouderwets oét 't jaor toûbak VB: Dè hèt nog klyjer aon oét 't jaor toûbak, de laachs dich kepot.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
tabak , tabak , gebruikt in “tabak ouwe”, “tabak houden”. een rustpauze van enkele minuten houden tijdens het zware werk.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
tabak , tebak , (zelfstandig naamwoord) , tabak, shag. Zie ook: sjek.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
tabak , grove tabak , pruimtabak.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
tabak , tebak , toebak , (mannelijk) , pijptabak, tabak , Hae ging door kappes en tebak: hij ging door dik en dun. Det kumtj oet ’t jaor toebak: dat is uit het jaar nul. Hae rouktj niks anges es toebak.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
tabak , toebak , zie tebak
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
tabak , tebak , tabak; door kappes en tebak gaôn – nergens voor terugschrikken ook toebak zie ook haor, snaor
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
tabak , tebak , zelfstandig naamwoord, mannelijk , tabak
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
tabak , tebak , zelfstandig naamwoord , "tabak; prömtebak, rôoktebak; gez. Tebak haole bij Woestenbèèrg (smoesje bij afwezigheid.); Van Delft - ""Ik heb er tabak van!"" bezigt men om uit te drukken: Ik bedank er voor; 'k wil er niets mee te maken hebben, wijl het mij niet aanstaat en ik het wel ken. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929); Onze vadder hee mèn aaltij vurgehouwe dèt nie zuiniger vertèrd kos worre as dur in pèpestiltje mar ik knaauw na hil den dag op in klein pruimke tebak. ’n Stuk of drie keer op innen dag vat ik in nuuw, en ’s aoves dreug ik ut in bietje en dan rook ik ut nog fèn op, al duurt den orlog na nog 10 jaor himmel zonder tebak zak zo nie gemak geraoke. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Van Beek - 't Is geen pijp tabak waard.  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959); Interview Jolen - 1978 - “Jè, toen waaren er wèl siegaare (…in den ollòg) mar dè is allemòl aachterdeur, hè…inlandse siegaare ok jè, van inlandse tebak mar dè was niks…” (transcriptie Hans Hessels, 2013); As die bussen, ötgeveegd wiere, waar dè un schôon kaans, veur ons, ens te gaon kèke wetter allemol laag aon peuken. Daor nie teveul aon gezéverd waar, raopte wij bij mekaar. Wij deeje et pepier detter nog aonzaat aaf en rolde van de tebak, in geschoepte vloeikes, van onze vadder, nuwe siegretjes... (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); In den oorlog heetie ôk nog tebak geteuld. Et waren net de blaoier van de rabarber. Hij réég die blaoier aon un touwke en hing ze te dreugen onder de veranda. Asse dreug waren, viet ie er één van den draod, wreef em fèèn en stopte die krèùmels in un pèèp, daor ging dan de vlam in. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - idem (RL'47) - antwoord op de vraag 'Waar is hij?' (Woestenbergh was een tabakswinkel in de Heuvelstraat)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
tabak , tebak , tabak
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal