elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: te

te , te , , woord waarmede men eenen hond roept.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
te , to , toe , zie: to (toe).
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
te , te , (Nederlandsch) Wanneer ’t eene plaatsbepaling betreft zal men hiervoor steeds: in of: op gebruiken, bv.: hij woont in Grönên, in Warfêm, in Sapmeer, in de Wildervank, enz.; zoo: ‑ op ’t Hoogezand, op de Mijden, op Mei, op Stadskenoal, op Brei, op ’t Zand, enz.; op Westerwolde, op Drente, op de Noordpolder, enz. Voorts is dit voorzetsel inzonderte in de Ommelanden van het navolgend gebruik: nijt te goud, of: nijt te best (ook Nederlandsch), voor: het laat nogal te wenschen over, bv. wat de gezondheid aangaat, en dan wordt het bepaalde: niet goed, verkeerd, er een weinig door verzacht; nog nijt te dreug, enz., voor: niet droog genoeg, niet volkomen droog. ‑ In de verkorting: da’s al te (met den nadruk op te) zooveel als: dat is al te erg, te gemeen, te duur, enz., steeds in ongunstigen zin. Bij Hooft al te = te erg, te dwaas, te veel, enz.; ’t is al te, of: al tee komt (schertsend in gemeenzaam) o.a. ook bij v. Lennep voor: ‑ Eigenaardig is wel het gebruik van dit woord in: ’t allozie, enz. is hen te moaken = om hersteld te worden; hij ’s oet te wandêln = hij is uit wandelen (letterlijk: uitgegaan om te wandelen); zitten te krantlezen, te koffiedrinken, enz. = de krant zitten lezen, zitten koffie drinken, enz. Dit pleonastisch gebruik hoort men ook elders, bv.: moet ik hier nog langer staan te wachten? enz. Vgl. ook: tou.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
te , te* , in “nijt te best” enz. is goed Nederlandsch, evenzoo hoort men ook elders het gemeenzame: ʼt is al tè (waarvoor schertsend: al tee), zie Vermakelijke Spraakkunst bldz. 140/41; ʼt allozie is hen te moaken = om gemaakt te worden, zoo ook: hij ’s oet te wandelen = hij is uit wandelen (letterlijk: om te wandelen); eveneens: zitten te kōffiedrinken, te krantlezen = zitten koffie te drinken, de krant te lezen; elders hoort men wel: moet ik hier nu nog langer staan te wachten? en daarmede vergelijke men: ik heb hier al lang genoeg (ge)staan (te) wachten.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
te , te , te. Zoovuls, zoovulle te (met vergrot. trap), des te …; te gloepe, tersluiks; te staane, op zijn gemak; Moandag te Poaskn, Paasmaandag; te Poaskn komm, op de koffie komen; te bassene, te barsten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
te , te , voorzetsel en bijwoord , Te. In zeer veel gevallen wordt het voorzetsel ‘te’ in afwijking van het Nederlands gebezigd, met name vóór een zelfstandig naamwoord, bv. te bed gaan, lègge, bloive enz.; te kerk, te kermis, te brulleft gaan enz. en vóór een infinitief, bv. ik hew zitte te wachten; ik zag ’m staan te praten; hai bloift bai oôs te eten; hai is te vissen; hai is te voeballen nei A.Z.; hai is te deurlichten; ik hew m’n auto te deursmeren brocht enz. enz. In het Westfries wordt de combinatie ‘te + aardrijkskundige naam’ zelden of nooit gebezigd; vgl. hai weunt in Hoorn, op Andoik, an de Binnenwoizend enz. In uitroepen als te droelie! Te weerskoen! enz., is ‘te’ een verscherping van ‘de’, dat weer een verzwakking is van ‘die’ (vgl. die donder! Die weerlicht!). In ‘te barsten’ herinnert ‘te’ aan gotisch twis = in tweeën, tussen, uiteen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
te , te , voorzetsel , te. Een enkele keer hoort men te nog gebruikt in bijv. te middag, t’aovend (te avond). Wanneer godde verhùize? Te wènter (van de winter). Zie ook: taatemiddag en taovend.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
te , te , tou, to , voorzetsel, bijwoord , Ook tou (Zuidoost-Drents veengebied, veroud.), to (Zuidoost-Drents veengebied, veroud.) = te Wij zint begunt te gres mèeien (Sle), ...to maaien (Nsch), Hij is te goud veur dizze wereld (Bco), Te een of aander tied op (ti), Op 21 mèert geet de zunne op en onder te zesse om zes uur (Die), Het is niks te weerd waard (Bro), Te deksel, wat kan die kerel rieden! (Bov), Hij is niet al te good snik (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
te , te , te
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
te , te , bijwoord , te, bijv. in des te beter
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
te , te , voorzetsel , (ook wel met de buigingsvar. ter of ten) 1. te: m.b.t. een bepaalde tijd, bijv. Te winter is et drie jaor leden deze, komende winter 2. in verb. als te binnen schieten, ter wille van, ten onbruke raeken in onbruik raken, gien spoor te vienen 3. tot, bijv. in Hi’j kwam te valen en te doen maeken problemen opleveren, lastig zijn 4. met het doel, de bestemming, bijv. perberen te kriegen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
te , te , voorzetsel , te, ter Te kerrek gaon Ter kerke gaan Te begraefs gaon Te begraven gaan Te scheere gaon bij d’n barrebier Te scheren gaan bij de barbier
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
te , te ês te , teveel , (teveel is teveel) te ês te
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
te , te , 1. bw., te. IJ is döör te ziek veur; 2. vz., per. As wi’j eerlijk delen dan doen wi’j te man de elfte.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
te , te , voorzetsel, bijwoord , in, naar; te + inf. Hij leej te bèd. - Hij ligt in bed. Gao mar gaa te bèd. - Ga maar gauw naar bed. Ik zaag em daor te zitte. te middag, taovend - vanmiddag, vanavond; Cees Robben – En wè eten we te middag (19680510); Henk van Rijen - te vèld gaon - ergens op uitgaan, op afgaan; WBD III.4.4:124 'te middag' = namiddag; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TE, T' voorzetsel - Wordt gebezigd in tijdsbepalingen: Te middag, t'avend; te neer - neder, omver; te pas - gesteld. Jan Naaijkens - Dès Biks – (1992) - te voorzetsel  - te; A.P. de Bont – Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - te, vz, tijdaanduidend: t'aovend, te middeg; distributief: - per honder gulden te man (met variant 'de', waaruit 'te' ontstaan is.); graadaanwijzend bijw.: te zeer
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal