elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tegelijk

tegelijk , tougelieks , toegelieks , (Westerkwartier) = te gelijk; schertsend zegt men (bv.): wel wil deur dichtdoun, moar nijt almoal tougelieks, zooveel als: ik weet wel dat niemand uwer ’t gaarne doet.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tegelijk , toegelieks , tougelieks , Fout:509
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
tegelijk , tougelieks , tegelijk
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
tegelijk , tegliek , tegelijk.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
tegelijk , tegelieke , tegelijk.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
tegelijk , tegeliek , toegeliek, tegelieke, tougeliek, tougelieks, tougl , bijwoord , (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, noord). Ook toegeliek (Zuidoost-Drents zandgebied), tegelieke (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), tougeliek, tougelieks (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), tougliek, touglieks = tegelijk Noe nich allemaol tougeliek (Bco), Wij gaot er tegeliek op of (Dal), Vertel mor ies op, mor niet allemaol tegelieke (Bei), Hij kun teglieke lachen en reren (Hav), Hie is toegliek met mij hen ’t schoel gaon (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tegelijk , tegelieke , tegelijk. Ook: geliek(e)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
tegelijk , teglieke , gelijktijdig. Zie kwamm teglieke aover de streep.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
tegelijk , lieketoeke , bijwoord , hetz. als toegelieke
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tegelijk , toegelieke , toekelieke, tegelieke , bijwoord , 1. tegelijk, op hetzelfde moment, in dezelfde tijd 2. samen met iets of iemand anders
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tegelijk , tiggeliék , tegelijk , tiggeliék VB: Neet allemaol tiggeliék, ezzebleef Zw: D'r kênt waol tiggeliék zynge meh neet tiggeliék kalle. Zw: (spottend, als men op een verzoek tot medewerking geen reactie krijgt): Neet allemaol tiggeliék ezzebleef.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
tegelijk , teglèèk , tegelijk
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
tegelijk , tegelieke , (bijwoord) , tegelijk.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
tegelijk , tegeliek , tegelijk
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
tegelijk , tegeliêk , bijwoord , tegelijk
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
tegelijk , tegelèèk , bijwoord , tegelijk; Henk van Rijen - ge kunt nie blaoze(n) èn tegelèèk de rôok in oewe mond haawe - je kunt geen twee tegengestelde dingen tegelijk doen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
tegelijk , tiggelie~k , tegelijk
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal