elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: telg

telg , telge , een eiken boompje. Contr. voor telege, van telen. A. S. tilian, tiligan, kweeken. tiligea, landbouwer.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
telg , telgen , jonge eiken. Van eikenstikken (zie op stikken) heb ik nooit horen spreken.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
telg , telg , loot, scheut, jonge boom; ook = jonge eik, tot verplanting bestemd voor een opgaande boom; ook Overijs. Neders.; ODrentsch: telgencampen = stuk land met eickelen bezaaid; eeckentelgen = eikenloten. Dr. Landr. (1712) III, 105: telge, en: telgen; IV, 17: Alle Bomen onder drie vierendeel Voetskant zullen worden gehouden voor Telgen. Osnabr. telge = jonge eikeboon; Westf. telgen = tak, twijg; Noordfr. tellinge = slieten boven den zolder. Gron. telgen, tellink = dikke eiken stok, knuppel, soort van knots. Zulk een stok, van ouds en tot hiertoe bij de Drentenaren in gebruik, niet alleen tot wandelen en vechten, maar ook bij overdracht van vast goed, waarvan in tegenwoordigheid van Schout en Keurnooten door den verkooper de stok gelegd, en door den kooper werd opgenomen. Mr. Menno Gratama zegt: De stoklegging is eene plechtige en feestelijke bevestiging van verbintenissen, door een stok over te geven of neer te leggen. Zie ook Dr. Volksalm. 1868 p. 189. Dr. Landr. (1712) II, 27, 29: stokleggensbrieven; daarvan: verstokte Brieven, art. 28; en verstokte, art. 34; id. (1608) III, 30: goet dat verkoft ende verstokkt wordt; In wat manieren de stoklegginge geschieden zal (1712), II, art. 52; Een dochter behoeft van het goed waarvan zij afgekocht is, geene overdracht te doen bij stoklegginge, III, 24.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
telg , telge , (mannelijk) , telg, twijg.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
telg , telgen , tellînk , dikke eiken stok, knuppel, soort van knots, gewoonlijk: ijken telgên. Drentsch telg = loot, scheut, jonge boom; jonge eik tot verplanting bestemd tot een opgaanden boom; Overijselsch, Nedersaksisch, Westfaalsch telge, telgen = jonge eikenboom; tak, twijg; Mecklenburgsch telgen, Holsteinsch tilgen = takken; Noordfriesch tellinge = slieten boven den zolder. (v. Dale: telg = lootboom, boomscheutje.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
telg , telgen* , bij v. Dale “telg” = loot van een boom (ook: afstammeling.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
telg , telgen , meervoud , jonge eikenboompjes. De telgen was een strook land langs de tochtsloot
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
telg , telg , jong boompje
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
telg , telg , telge , de , telgen , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe). Ook telge (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. loot, twijg Even een telg uut de bos halen (Hol) 2. afstammeling (Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe) Dat is een telg oet een aold geslacht (Odo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal