elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tempel

tempel , tempel , tempeltje , houten stijltje op het uiterst eind eener schuur; hij wijt van gijn tempel of Mozês = hij is geheel bewusteloos. Oostfriesch: de wêt fan gîn tempel of Moses = hij is een weetniet.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tempel , tempel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – Bij de zeildoekweverij. Een werktuig, bestaande uit twee door scharnieren verbonden houten, waarvan het ene (de poot) in een tong uitloopt, die past in het andere deel (de broek), terwijl beide, dichtgeslagen, een plankje vormen van omtrent 3 dm lengte, 6 cm breedte en 1 cm dikte. Aan weerskanten langs de breedte van de tempel bevindt zich een hoornen randje (het hoorntje), waarin korte, scherpe metalen stiften (de tinnen) zijn aangebracht. De tempel dient om het doek gelijkmatig te spannen en te voorkomen dat het te veel inweeft. Daartoe wordt hij dwars op het doek gelegd en met de tinnen in de kanten van het weefsel geprikt. Het woord is ook elders bij de wevers gebruikelijk (zie b.v. KUYPER, Technol. 2, 63; DE BO² 989, KOOLMAN 3, 404). – Vgl. tempelgat.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tempel , tempel* , (bldz. 569): heeft men hier te denken aan het, vooral bij de Groningsche studenten bekende, hazardspel Tempel-Mozes?
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
tempel , teampel , mannelijk , tempel, toestel in de weverij om het doek te spannen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
tempel , tempeltje , stijltje bij de eindvorst van het dak
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
Tempel , Tempel , mannelijk , den Tempel, voormalige stadshoeve uit 1652 in de Gruizenstraat, thans museum. B.A. Pothast schrijft hierover in zijn “Kurze Chronik von Sittard” 1891: “1312 Wird der Tempelherren-Orden aufgehoben. Wenn es verschiedene Templerklöster hier in der Geg
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
tempel , tempel , mannelijk , tempele , tempel; groot huis. Waat ’nen tempel: wat een kasteel van een huis.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
tempel , tempel , de , tempels , (wev. Zuidoost-Drents zandgebied) = deel van het weefgetouw; bij het weven ging de tempel mee om de breedte te handhaven van het te weven stuk (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tempel , tempel , de , tempels , 1. tempel Een echte tempel he’k nog niet aans zien as op een plaatien (Koe) 2. kerk (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Wie wilt vanmiddag nog even naor de tempel (Bov) 3. houten paaltje als nokafsluiting Wij muzzen een nei oelbred hebben en noou zet de timmerman der ok een nei tempel op (Eex), An de tempel weur vrogger de radioantenne vastmaokt en vandaor naor de schörsteen (Ktv) 4. (oud) huis Wat een aolde tempel van een huus (Vtm), Die aolde tempel zakt vrog of laat nog in mekaar (Sle), Ik deinke, ze breekt mij de hele tempel of (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tempel , tempel , tempel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
tempel , témpel , zelfstandig naamwoord mannelijk , témpele , témpelke , tempel , VB: De iewenaw témpele ién Egypte mäoke vëul iéndrök op de bezeukers. Zw: (enigszins minachtend): huis: Noé zit ich ién dè groeten, awwen témpel en de keender zién 't hoés oét.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
tempel , têmpel , zelfstandig naamwoord, mannelijk , têmpels , tempel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
tempel , tèmpel , zelfstandig naamwoord , tempel; Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - meej iemand tèmpels gaon zitte bouwe (AM'84) - met iemand zitten bomen; Frans Verbunt - tèmpels baawe - zich illusies maken
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal