elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tiepelen

tiepelen , tiebeln , tunteln , beuzelen, peuteren, peuterig werk verrichten; ook = in de war raken. Gron. tiepeln, ook Friesch Oostfr. Holst. tipelen, tipeln, zooveel als: met de vingers iets uitvoeren wat veel geduld vereischt, maar waarin weinig of in ’t geheel geen nut steekt. Gron. tunteln = iets met de vingers uitpluizen, of ook: in de war brengen, bv. garen of touw. Oostfr. tipeln = met de punt van een voorwerp eene herhaalde beweging maken om iets aan te roeren of te vatten en herhaaldelijk met de vingers in kleinere deelen te verdeelen; ook: zacht, licht aanraken, iets ontwarren, en een freq. van ’t Oostfr. tippen, Gron. tikken, tik geven, Nederl. tikken. Oostfr. tünteln, Neders. tünteln, tündeln, Noordfr. tüntele, tontlin = vlechten, knoopen, verwikkelen verwarren, in elkander slingeren. Zal komen van ’t Oostfr. tanen, tünen in de beteek. van: vlechtwerk maken om iets in te sluiten, te betuinen. Vergel. beteun, betuien.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
tiepelen , tîpeln , (zwak werkwoord) , met stokjes spelen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
tiepelen , tiepêln , zooveel als: met de vingers iets uitvoeren wat veel geduld eischt maar waarin weinig of in ’t geheel geen nut steekt; ook Friesch, Oostfriesch, Holsteinsch; Westerwolde tiepêln en hustjen (tautologie); Drentsch tibeln. – tiepelderei = tiepelwark = puulwark (naaisterswoord) = knutselwerk, een werkje dat veel tijd en geduld kost, waar tiepêln bij te pas komt; Oostfriesch tipelê, tipelwark; tiepelstikken = teuverstikken = een samenstel van houten staafjes welke kunstig in elkander passen, en uit elkander genomen en ineengezet moeten worden; ook Oostfriesch. Dit woord dient ook als antwoord op de vraag aan iemand die met knutselwerk bezig is, wat hij uitvoert? en zegt zooveel als: och, ’t heeft niets om ’t lijf, ik doe maar wat om den tijd te verdrijven; tiepelzinnîg, zegt men vooral van kinderen die uit verveling iets ter hand nemen, en wel dat, wat het minst in den smaak der moeders valt. – Heeft iemand veel te pluizen met iets, bv. om een verward bos garen tot een kluwen op te winden, dan zegt men: wat hei’ doar ’n getiepel (of: geteuver) mit. (Roemer Visscher (1547-1620) noemt een bundel zijner gedichten: “Tepelwercken” = knutselarij. Zie ook: teppen.
tiepêln, tiepelken, tiepeltjen; op het Hoogeland een kinderspel dat buitenshuis met stokjes wordt gespeeld; o.a. maakt men daarbij een kuiltje in den grond; Friesch tiepeln; Westerwolde tiepêln en hustjen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tiepelen , tepelen , (zwak werkwoord) , Benaming van zeker spel, waarbij de spelers een aantal door en over elkaar liggende, lichte benen staafjes stuk voor stuk met een haakje trachten te verwijderen, zonder daarbij een der andere staafjes aan te raken of te doen bewegen. Knibbelen. Vgl. tepelspel. || De kinderen benne an ’t tepelen. – Het woord betekent eigenlijk even aanraken en is ook elders in de zijn van beuzelen, knutselen, en als naam van kinderspelen bekend; zie DE JAGER, Freq. 1, 766 en DIJKSTRA, Uit Friesl. Volksleven 2, 227 vlg. – Vgl. tippen en tippelen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tiepelen , tiepeln* , Roemer Visscher (1547-1620) noemt een gedeelte zijner gedichten “Tepelwercken” = knutselarij.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
tiepelen , tiepeln , 1. kinderspel 2. knutselen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
tiepelen , tiepeln , tiebeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , Ook tiebeln (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = 1. tiepelen, spel in twee groepen. Dit spel kende verschilllende varianten. Tiepeln deden ze zo: Een geutje in de grond. Daor een dwarsstokkie over hen, dat met een tiepelstok zo ver meugelijk weggooid weur. Iene tiepelde en de rest stund op een ofstand um de overlegger, het kleine stokkie, te griepen. Die hum greep, gooide het kleine stokkie terug um de tiepelstok, die inmiddels over het geutien legd was, te raken. Lukte dat, dan was hij an de beurt en de eerste of (Scho), ...dan kun de tiepel opvangen worden. De vanger prebeerde hum in de cirkel te gooien, waor de slaonder hum wegslaon mug. As e miste was e of (Sle), z. ook pink III 2. doelloos rondslenteren, treuzelen, beuzelen (Zuidwest-Drenthe) Hej wèer an de weg zitten te tiebeln (Dwi) 3. zenuwachtig met iets zitten te spelen Zit niet aal met dat mes te tiebeln under het eten (Sle), Hol ies op met dat glassien te tiebeln; dommies he’k hum kapot (Ruw), Met een pen zitten te tiepeln (Eev) 4. in de war brengen (dva)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tiepelen , tiepelen , werkwoord , 1. het tiepelspel spelen 2. prutsend bezig zijn, langdurig bezig zijn met priegelwerk, enigszins doelloos werken (met z’n handen) 3. zenuwachtig met z’n handen bewegen, met iets zitten spelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal