elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tierelieren

tierelieren , tierelieren , tureluren , eig. = het gekweel, het kwinkeleeren onzer zangvogels; fig. voor: rondloopen zonder iets uit te voeren, al neuriënd rondslenteren; Drentsch um tierelier loopen. Als nabootsing van het gekweel der zwaluwen heeft men den deun: Dou ik hier kwam was dit vak vōl, was dat vak vōl, en nō is ’t al ver-tie-re-lie-re-lierd! Ook: Dou ’k vleden joar hier was, Was dit vak vōl, Was dat vak vōl En nou is allens disterwierd. (Bij Woͤste komt voor het: Schwalbenlied von Hamm: As ik wäg trock, wân kucke en schuͤer vull, As ik wîer kâm, wâr alles verslickerd un verferd, wat bij Sloet tot Oldhuis luidt: To Joar as ik fürt gink, Wären alle Skoppen en Skuren vüll, Nu, as ik weer kam, Is alles verquickelt, verquackelt und vertehrt.) – Was die Schwalbe sang was die Schwalbe sang. “Als ich Abschied nahm, als ich Abschied nahm, Waren Kist’n und Kasten schwer; Als ich wieder kam, als ich wieder kam, War Alles leer.” Fr. Rückert, Aus der Jugendzeit, (1830). Kinder-zangdeun bij zeker meisjesspel: Hoaken, oogen, Tikketakketogen, Goldpampier, Tierelierelier! Een ander spel draagt den naam: tierelieren. Twee meisjes houden elkander met gekruiste armen vast, en na opgezegd te hebben: ombaierom, kom keer die ijs om, moeten zij van plaats wisselen. Oostfriesch tirliren = het kweelen van leeuweriken en zwaluwen, en voorts: lustig zingen, jubelen; fertirliren = verjubelen; Nedersaksisch tierlier = gezang der leeuweriken; tierlieren = zingen als de leeuwerik; Engelsch tirra-lirra, een het leeuwerikengezang nabootsend woord; Nedersaksisch türlüren, en: liren = Hoogduitsch leiern (op eene eentonige wijze spreken of zingen) = lieren, in: tierelieren; Nederlandsch tierelieren = een geluid maken als de leeuwerik, Fransch tirelirer; tureluur = referein, zangwijze, deun, Fransch turelure.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tierelieren , tierelieren* , bij v. Dale = geluid van de leeuwerik, in het Fransch: “tirelirer” en “turelure”, ʼt laatste = deun (Nederlandsch tureluur.) Vergelijk in Fr. Rückertʼs gedicht Aus der Jugendzeit, (1830): Was die Schwalbe sang, was die Schwalbe sang: / “Als ich Abschied nahm, als ich Abschied nahm, / Waren Kistʼn und Kasten schwer: / Als ich wieder kam, als ich wieder kam, / War Alles leer.”
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
tierelieren , tierelieren , onbepaald werkwoord , 1. zingen, tierelieren Moej die vogels ies heuren tierelieren (Sle), Schei mar uut te tierelieren (Nije) 2. lanterfanten (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Ie loopt daor mar wat te tierelieren, doet ook mar wat (Ruw), z. ook tureluren
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal