elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tijn

tijn , tien , tiene , balie, melkton, houten of koperen melkvat; melktien = groot melkvat. Zie: melktiene.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
tijn , tien , tiene, tijn , in geschrifte tijn; groot vat waarin men de melk verzamelt die gekarnd zal worden, en die daarin zoolang moet staan tot zij dik en zuur is. Zulk een vat is onder wijder dan boven en inzooverre het tegengestelde van eene zoepentien, dat is eene tien, mede een groot vat waarin het zoepen (de karnemelk) gestort wordt. Zegswijs: praten van olle tienen en neie zoepennappen, zooveel als: keuvelen over oude tijden. (tienen zal hier eene soort van woordspeling zijn met tie-en = tijden; de d wordt om den wille van het volgende veranderd in n.) Zie ook: zoepennap. Drentsch melktien, Friesch tiene, tijne = groot melkvat; Zuid-Limburgsch tieng, tiene = tobbe, kuip; Noord-Hollandsch tain = kleine ovale tobbe, waarin boter ter markt gebracht wordt. Kil. tijne, watertijne, watertonne. Weil. v. Dale: tijne (verouderd) = vat, ton, watervat, Hoogduitsch Tiene (gewestelijk); Oostfriesch tîne, tiene; melktîne, karmelkstîne, wasktîne; Nederduitsch tiene, tyne, Middel-Nederduitsch tine, tyne, tynne, Zweedsch tina = kuip, tobbe. Waarschijnlijk, zegt ten Doornk., met het Italiaansche tina, Fransch tine, van het Latijnsche tina (wijnvat), waarvan ook: ton, Hoogduitsch Tonne, Oostfriesch tünne, Groningsch tun.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tijn , tijn , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , 1) Een lage tobbe, b.v. van ½ m middellijn en 2 of 3 dm hoogte, met twee oren en een los deksel. In de tijn wordt de boter opgemaakt en ter markt gebracht. || 259 Huysluy (hebben) ter waag (te Purmerend) gedragen 2914 koppe boter in tijn en mand, Hs. (a° 1794), Zaanl. Oudhk. – In dezelfde zin is het woord in geheel N.-Holl. gebruikelijk (O. Volkst. 2, 176; Noord en Zuid 4, 180). || 2 Tinne lepels, 1 groote thijn van 8 pond boter, 20 pond suycker, J. VAN RIEBEEK, Dagverhaal 1, 563 (a° 1655). 2) In verkl. tijntje. Ook in samenst. botertijntje, buttertijntje. Botervlootje, een laag tobbetje van porselein of aardewerk, waarin de boter op tafel wordt voorgediend. || Krijg ers ’en tijntje uit de kas. Is er butter in ’et tijntje? 3) Vroeger ook van andere kuipen of bakken; zie meeltijn. Gewestelijk is het woord ook elders bekend in soortgelijke opvattingen. Vgl. Fri. <i>tînei>, groot melkvat; Gron. <i>tieni>, <i>tienei>, groot vat, <i>karntienei>, <i>melktienei> (MOLEMA 420); Oost-Fri. <i>tînei>, <i>tîntjei>, vat, kuip, <i>melktînei>, <i>karmelkstînei>, <i>wasktînei>, <i>mêltîntjei> (KOOLMAN 3, 412); Limb. <i>tijni>, <i>tieni>, <i>tingi>, kuip met twee oren, waarin water gedragen of waarin gewassen wordt, <i>wastijni>, <i>baktijni> (SCHUERMANS 723; JONGENEEL 2, 63; Taalk. Bijdragen 1, 319); Brab. <i>tini>, watervat (SCHUERMANS, t.a.p.); bij KIL. 671 <i>tijnei>, <i>wateri>-<i>tijnei>, <i>wateri>-<i>tonnei>, tina aquaria, en 672 <i>tinnei>, j. <i>tijnei>, tina. – Het woord is waarschijnlijk aan het Romaans ontleend; vgl. Fra. <i>tinei>, ton, Lat. <i>tinai> (zie KÖRTING no. 8199). – Vgl. tan.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tijn , tiene* , Tiene komt ook in Hoogduitsch woordenboeken voor, met de bijvoeging, dat het tot de volkstaal behoort.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
tijn , tien , tiene , (z. n. w.), kuip
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
tijn , toin , toim , zelfstandig naamwoord de , Tijn, lage tobbe met twee oren en los deksel. In deze tijn werden de koppen boter geplaatst en naar de markt vervoerd. Zie voor de herkomst uit Westromaans tina = wijnvat het N.E.W. onder tijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
tijn , tien , tiene , de , tienen , (Kop van Drenthe). Ook tiene in bet. 2 = 1. melkton, houten of koperen melkvat De melk staait in de tien (Row), Een tien is een houten vat met twee oren (Rod) 2. terrine (N:be)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tijn , tyn , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , tyne , tynsje , kuip , (ronde, houten kuip) tyn VB: 'n Vérekestyn, 'n waastyn, 'n sjlachtyn.; teil VB: 'n Waastyn, 'n vérekestyn, 'n sjlachtyn.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal