elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tik

tik , [lichte klap] , tik , tikske , wat, iets. , Uw brood is een heel tikske grooter.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
tik , tok , tik. Tokken = tikken, zachtjes kloppen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
tik , tik , tiktje , in: ’t is op tik van zeuven; ’t is op tik dat hij komt, enz. = ’t duurt maar een oogenblikje meer. Zie: klikker. In: hij gaf mie ’n tik op de schōlder, als teeken van goedkeuring en aanmoediging, waarvoor het Nederlandsch hij klopte mij op den schouder.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tik , tik , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – In een tik, in een oogwenk. || ’t Was nou van “wupt-em Keessie!” en in een tik was ’t glaassie leeg. Sch. t. W. 279 – Een tikkie, een kleinigheid. || Die rok is ’en tikkie te lang. – Ook: een borrel. || Geef me nag ’en tikkie.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tik , tik , tikje, zie klikker * (ook de aanteekening.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
tik , tik , m , gek, gestoord Héj hè ’nen tik Hij is gek.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
tik , tikske , o , beetje, tikkeltje ’n tikske van iets ’n beetje van iets.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
tik , tiek , tieke, tik , tussenwerpsel , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook tieke (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), tik (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = lokroep voor kippen en kuikens Tieke, tieke, tiek (Pdh), Tiek, tiek, tiek, smangs wat kört: tik, tik, tik (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tik , tik , de , tikken , 1. tik Hij hef hum een tik an de oren geven een oorvijg (Bov), Leste tik laatste tik die kinderen, uit school komend, elkaar geven (Dwi), z. ook lèesttik, (fig.) Hie hef een tik had beroerte (Sle), Hie hef der een lillijke tik van overholden de gevolgen zijn goed zichtbaar (Oos), Het was maor een tik an het oor kleinigheid (Hijk) 2. term bij tikspel Tikkie of zei je als je niet getikt mocht worden (Vtm), Tik an gezegd als je iem. of iets aantikte (Wijs) 3. (verkl.) een weinig Zet de ledder nog mar een tikkie hoger (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tik , tik , de , tikken , tik, geluid Tik, tik, zeg de klok (Emm), Ik hèurde een tik tegen het glas (Wijs)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tik , tik , tikke , tussenwerpsel , 1. geluid van een lichte klap, tik 2. uitroep wanneer men bij een (kinder)spelletje iemand tikt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tik , tik , tikke , zelfstandig naamwoord , de 1. lichte klap, tik; ’t Is een tik an ’t oor is in een zucht gebeurd, het is een kleinigheid 2. licht geluid van een lichte klap 3. tik bij een tikspel (kinderspel)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tik , teek , tiek , tik
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal