elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tingelen

tingelen , tingêln , het geluid dat ontstaat door (bv.) twee stalen staafjes tegen elkander te slaan, of ’t welk met den triangel gemaakt wordt; ook voor het klingelen met eene kleine schel. – getingel = aanhoudend tingeln. ’t Oostfriesche tingen, tengen, tinken, tingeln.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tingelen , tingeln* , ook voor: slecht, vervelend pianospelen, enz.; in ʼt Nederlandsch komt wel voor “getingel.” Vgl. Hoogduitsch klimpern en Nederlandsch tjingelen, tjangelen, tinkelen, alsmede klingeln *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
tingelen , tingeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = 1. bellen Dan moej mor even tingeln, dan kow der zo an bellen met de fietsbel (Row), Bij deftig volk moej eerst an de veurdeure tingeln (Bei), De bel van de winkel tingelt, gao ies kieken (Sle) 2. tinkelen (Kop van Drenthe) Het glaas tingelt zo mooi (Row) 3. slecht spelen Hij tingelt wat op de piano (Hol), z. ook tjingeln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tingelen , tjingeln , tjangeln, tjengeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook tjangeln, tjengeln = tingelen, slecht spelen Schei noe mar ies uut te tjingeln op die piano (Eli), z. ook tjoedeln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tingelen , tjongeln , tjoengeln, tjoemeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook tjoengeln (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), tjoemeln (Midden-Drenthe) = tingelen Speulen kun e niet, noten lezen kun e niet; hie dee niks as tjoemeln op die piano (Eex), Hij zat wat op de gitaar te tjoengeln (Row), ...te tjongeln (Bal), z. ook tjoedeln, tjingeln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tingelen , tingelen , tjingelen , werkwoord , 1. tingelen: een tingelend geluid geven 2. tingelend op een piano spelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal