elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tippelen

tippelen , tippelen , (intransitief werkwoord) , trippelen, dribbelen. Hij tippelt maar voort, maakt korte snelle stappen. Dat paard heeft al wat afgetippeld. Je moet maar wat aantippelen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
tippelen , tippêln , met korte schreden zich tamelijk snel voortbewegen. Wordt alleen van vrouwen gezegd en van vrouwen gehoord.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tippelen , tippelen , (zwak werkwoord, intransitief) , Zie de wdbb. – Met kleine pasjes gaan; ook vlug lopen. || ’t Is zo aardig zoals die kinderen tippelen. Die tippelt er nogal zo op los. – Vandaar ook: wandelen. || Ik heb vandaag heel wat ’etippeld. – Evenzo elders in N.-Holl. (zie BOUMAN 106); in Friesl. tippeltje. Zie ook DE JAGER, Freq. 1, 765. – Vgl. aftippelen, alsmede tepelen en tippen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tippelen , tippeln , trippelen, vlug loopen met korte pasjes, en daarvan: ʼt is ʼn huile tippel = een heele wandeling, (ook elders.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
tippelen , tippele , tippelde, haet getippelt , tippelen; bargoens voor: hem smeren. Tippel de bie, dao kómme de boute: smeer ’m, daar komt politie.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
tippelen , tippeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , tippelen, lopen Die tippelt er wat an of met zien klompen (Pes), (fig.) Hie had mij mooi te pakken, want ik tippelde der mooi in (Exl)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tippelen , tippeln , lopen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
tippelen , tippele , werkwoord , tippel, tippelde, getippeld , [O] met korte haastige schreden lopen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
tippelen , tiepele , tippelen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal