elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tippen

tippen , tippen , (werkwoord), van een kleed; ’t tipt van veuren = ’t valt zóó, dat het vooruitsteekt, eene tip vormt. Naaisterterm.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tippen , tippen , in geringe mate mank gaan. Vgl. toeken 3.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tippen , tippen , (zwak werkwoord, transitief en intransitief) , Even aanraken. Zie de wdbb. – 1) Intr. Inzonderheid van kledingstukken die iets te lang zijn en dus onder het gaan telkens de grond even aanraken. || Die rok zel tippen, je hewwe ’em skeef ’eknipt. Die japon (mantel enz.) tipt net aan de grond. – Vgl. tippelen. 2) Trans. Vgl. neusje-tip. – Koek tippen, zeker spel op de kermis, waarbij een stuk koek op het eind van een uitstekende, buigzame lat (veer) wordt gelegd, terwijl de spelers daar om beurten met een stok tegen slaan om de koek zover mogelijk te doen wegvliegen. || Dat hem oock niemant … en sal vervorderen … met Koeck te slingeren, te hacken, houwen, kerven, wuppen ofte tippen in eeniger maniere (keur v. Wormer, a° 1653), LAMS 644. – Ook in Friesl. zijn dergelijke spelen onder de naam van tippen bekend; vgl. DIJKSTRA, Uit Friesl. Volksleven 1, 171. Als uitroep wordt tip! gebezigd om iemand te bekeuren, bij allerlei kinderspelen; vgl. betippen. Vandaar ook als bijvoeglijk naamwoord Wie bij ’et rinkelen met ’en rinkel op ien van de strepen komt, is tip (is bekeurd, er bij). Vgl. evenzo tak van takken.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tippen , tippen , (zwak werkwoord, intransitief) , Met een tip opwippen, naar boven gaan, van kledingstukken. || Je lijf zit niks mooi; ’t tipt lillik (het trekt, wipt op, zit niet glad). – Vgl. tiphaak.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tippen , tippen* , ook = mank gaan, doch in geringe mate; vgl. toeken * 3.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
tippen , tippe , werkwoord , Ook: aantippen of -tikken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
tippen , tippe , tipde, haet getip , tippen; even aanraken; gelijk zijn; typen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
tippen , tuppe , tupde, haet getup/tupde, haet of is getup/taupe, haet getaup , tippen. Dao kénste neit aan tuppe: daar kun je niet aan tippen.; tuppe toppen; tippen, tikken. Tup ẹ naegelke drin: tik er met lichte tikjes een spijkertje in. De maane laote tuppe: de manestreng toppen; het haar laten knippen.; taupe
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
tippen , tippen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. van punten ontdoen (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe) Ze waren drok an het bonen tippen (Bov), z. ook punten 2. in een punt uitlopen Die akker tipt aordig (Hijk), Die jurk is onliek, hie tipt (Exl) 3. lopen (Zuidoost-Drents zandgebied) Hie hef er aaid achteran tipt, mor hij hef hum niet kregen (Sle) 4. trekken (Midden-Drenthe) Hij tipt wat met het bien (Hoh), z. ook tikken 5. tegenop kunnen Daor kunt de aandern niet an tippen (Geb), Die kan altied meer, daor kuj niet an tippen (Odo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tippen , tippen , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = een punt vormen As de petreulielaampe tipte, dee mien va de poke in de kachel en het glas kwam er of en met de gleunige poke meuk e het kousie lieke (Hijk), Het walmschellegie is zwaart, de laampe hef even etipt (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tippen , tippen , zwak werkwoord, overgankelijk , een tip geven Ze hadden hum al etipt dat hij de beste was (Bro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tippen , tippen , werkwoord , 1. met z’n been trekken bij het lopen 2. met een tippe (bet. 3) gaan branden 3. door licht aan te raken vastlijmen 4. als tip geven, inlichten 5. in d’r niet an tippen kunnen in de verste verte niet zo goed zijn, zo goed presteren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tippen , tôppe , werkwoord , tôpde, getôp , tikken , (op een ruit) tôppe VB: Doég 'ns oëpe, dao tôp 'nne op de roét.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
tippen , tuppe , werkwoord , tuptj, tupdje, getuptj , punteren van de bal, snoeien van de top, tippen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
tippen , tippe , ’t tip nie, ’t telt niet; ’t geldt niet (bijvoorbeeld tijdens een spel) (afkomstig van het werkwoord tippen)
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal