elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: toehouden

toehouden , touhollen , (toehouden) = zich bevinden, verblijf houden, wonen; woar holt dien bruier tou? = waar is uw broeder thans? hij ligt in de Groaf (Grave). – woar holt dien mouder tou? zij ’s ien toen, (of: in de toene) = zij is in den tuin; zij het de hijle week op ber touhollen = zij heeft de geheele week te bed gelegen; hij het lank op ’t Hoogeland touhollen; hier holt arns ’n weepnust tou = hier in de nabijheid moet een wespennest zijn; doar holt nijt veul meer in tou = die doos, trommel, dat vat, enz. bevat weinig (of: niets) meer, is bijna (of: geheel) leeg – mit ’n wief touhollen = met haar eene ongeoorloofde gemeenschap onderhouden; bie heur touhollen = in gemeenschap bij haar leven, met haar samenwonen. Oostfriesch toholden, Hoogduitsch zuhalten, aufhalten; sük wâr toholden = zich ergens bevinden; toholder = bijzit; Drentsch toehollen, toehöld. Vervoeging: touhoul; touhuil; touhil. verleden deelwoord touhollen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
toehouden , touhollen* , Hoogduitsch zuhalten = in betrekking staan tot, verboden omgang hebben met; Zuhalter = koppelaar.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
toehouden , toeholden , sterk werkwoord, onovergankelijk , 1. zich bevinden Waor zul heur wicht touholden? (Rod), Waor hest doe zo laank touholden? (Ros), Door huil een nachtegaol toe zat (Pei) 2. omgaan met (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Noord-Drenthe) Waor aj bij bint, wor ie bij rekend; ie kunt overal niet bij toeholden (Hijk), Hou kunj daor met touholden? (Rod), Hie hul met de hoesholdster toe leefde samen met de huishoudster (Sle), De olders wolden niet hebben dat het magien mit de bakkersknecht toehuld (Hgv) 3. toesteken, voorhouden (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Ie moet hum de vinger niet toeholden, want dan bet hij hum der of (Klv), Ik zal oe een snee stoete toeholden (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
toehouden , toeholln , buitenechtelijke betrekkingen hebben. Hie hef al lange met dat wief toe eholln.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
toehouden , toeholen , werkwoord , 1. toehouden, zich ophouden, vertoeven 2. tekeergaan, huishouden 3. aanreiken, bijv. iene een stok toeholen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
toehouden , toûw hawe , werkwoord , verstoppertje spelen , (gezegd tijdens verstoppertje spelen) toûw hawe (zie 'houden') VB: Dich bis aon de bëurt, ich heb zjus toûwgehawe.; ze toûw hawe kwebbel (je kwebbel houden) ze toûw hawe; haaw ze toûw mond (hou je mond!) haaw ze toûw!
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
toehouden , toeholden , overspel plegen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal