elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: toevallen

toevallen , [meevallen] , tôvallen , (sterk werkwoord) , meevallen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
toevallen , touvallen , meevallen, in de hand vallen, beter uitkomen dan men dacht, tegengestelde van: ofvallen; ’t valt mie tou van hōm = ’k had het van hem niet verwacht, in gunstigen zin; hij valt mie of = hij valt mij tegen; het goed, de prijs, enz. is mie touvallen = is beter, goedkooper, dan ik dacht; dat ken nijt touvallen = de verwachting is te hoog gespannen. “Nu het koolzaad bijna algemeen is gezicht kan men eenigszins over de opbrengst oordeelen en dan moet men verklaren, dat het algemeen toevalt.” (Beerta 1865). De uitdrukking: dat valt even (of: wat) tou = dat zal meevallen; geloof dat maar. Oostfriesch tofallen. Hoogduitsch in die Hand fallen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
toevallen , toevallen , (sterk werkwoord, intransitief) , Zie de wdbb. – Ook: meevallen. || Dat valt (me) toe; ik had ’et niet ’edocht. Die rekening is me niks toe’evallen. Ik had niet veul verwachting van ’em, maar-i valt toe. – Ook elders in Holl., Gron. en Oost-Friesl., en in het Stad-Fri. bekend; evenzo Fri. tafalle (HALBERTSMA 967).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
toevallen , touvallen* , zeer veelvuldig hoort men: dat valt wat tou (omgek. dat valt wat of, waarvoor ook: dat valt even of) en ʼt valt mie niks tou (omgek. ʼt valt mie niks of), alsmede ʼt valt mie genōg mit; de eerstgenoemde zegswijs is voorspellend: ʼt zal medevallen, ʼt zal u tegenvallen; verder hoort men in ʼt Nederlandsch ook: ʼt spijt me genoeg, enz.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
toevallen , toevalle , werkwoord , Ook: meevallen (verouderd). Vgl. Boek. onder toevallen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
toevallen , toevalle , voul toe, is toegevalle , dichtvallen. Dat vilt dich toe: dat valt jou toe; dat valt dicht.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
toevallen , toevallen , sterk werkwoord, onovergankelijk , meevallen De naolaotenschop völ toe (Dwi), Het melkbriefie is oes toevallen dizze keer; wij kregen een naobetaling (Bor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
toevallen , toevalen , werkwoord , toevallen: meevallen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal