elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tokkelen

tokkelen , tukseln , frequentatief voor tukken *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
tokkelen , toekele , tokkelen toekele op ’nen banjo. tokkelen op een banjo.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
tokkelen , tokkele , werkwoord , Ook: tintelen van kou of pijn. | M’n vingers tokkele.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
tokkelen , tokkeln , tokkern, tökkeln, tokken , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , Ook tokkern (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), tökkeln (Zuidoost-Drents zandgebied), tokken (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, in bet. 2.) = 1. tokkelen Hie tokkelde mor wat op de lier (Emm) 2. lokken, meestal van kuikens door de kip De klokke tokkelt de kukens bij menare (Hav), Moej die hen is heuren tokkern, die rop de kukens (Eex), (fig.) Ik wol hum der ok bij tokkern om lid van de vereniging te worden (Sle), Hie löp aal um dat wicht toe te tokkern (Sle) 3. geluid maken door patrijzen In de haarfst kuj de patriezen in het veld heuren tokkeln (Wee) 4. kloppen, z. bij tukkern
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tokkelen , tokkelen , tokkeren, tokken , werkwoord , 1. klokken: door een hen 2. m.b.t. snaarinstrumenten: tokkelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal