elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tont

tont , tjonten , zie elfringen *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
tont , tont , tonte , de , tonten , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook tonte (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) = 1. vod, lor Die tont gebroek mor veur poetslap (Sti), Hij har niks as tonten um de hoed (Hgv), Der hungen van die tonten smeer under an de auto klonten, klodders (Sle), Hij hef een tonte onder de neuze snottebel (Dwi), Hij hef hum een hiel tont haor uut de kop trökken pluk (Geb), Hij kreeg daor goed wat op de tonten (Wap), ...um de tonten slaag (Man), Het waren allemaole tonten en bellen (Vle), De kleraozie höng hum an bellen en tonten um het lief (Wes) 2. vel (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Der zat een tonte in de melk (Ker), Der zit een tonte in de vaarfbusse (Dwi), Vleisofval, dat bint tonten en vellen (Wsv), Ik mag dat vleis niet, der zit almaol tonties an (Emm) 3. vuile, onzindelijke, dan wel slordige vrouw Trek die is fetsoelijk an, wich, lopst er ja es een tonte bie (Bco), Wat een tont van een wief smerig, ook onzedelijk (Zui), Wat een een tont van een nèeister slordige naaister (Emm), Die vrouw, dat is een tont hoer (Sle) 4. kleine afgesleten knikker (Zuidwest-Drenthe, zuid) Dat is gien goeie meer, dat is een tonte (Hol), Ofgesleten knikkers bint tonten (Hol), z. ook tolt, polt
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tont , tolt , tolte , de , tolten , (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe). Ook tolte (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. vod (Kop van Drenthe) Het was almaol tolten en vellen gezegd van slachtafval (Zey), Nou mokt die male snieder (...) daor zo’n raore tolt van, daj er met goud fesoun niet met over de weg lopen kunnen (vl:Row) 2. dikke slonzige vrouw Wat een tolt van een wief (Gie) 3. vrouw van lichte zeden (Bco) Een vrouw, die het nich zo nauw nemt, is een tolte (Bco), z. ook tont
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tont , tonte , 1. smerige lap. Wat een tonte van een zaddoek eb ie döör ‘wat een smerige zakdoek heb je daar’; 2. onzindelijke vrouw
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
tont , tonte , zelfstandig naamwoord , de 1. tont: oude lap, vod, oud kledingstuk 2. vel in melk, op verf 3. smerige, slordige vrouw, ook wel dikke vrouw
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tont , tonte , (zelfstandig naamwoord) , oude doek.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal