elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: torenkauw

torenkauw , torenkà , een vogel veel gelijkende op eene kraai maar kleiner dan deze, bij v. Hall torenkraai. Oostfriesch ka = kraai; Oud-Hoogduitsch chacha, Zweedsch kaja, Angel-Saksisch ceo, Engelsch crow, Noorweegsch kaa, kaage = kraai. Weil. v. Dale: ka = kauw. Het woord is klanknabootsend.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
torenkauw , torenka* , bij v. Dale ka = kauw, de kleinste soort van kraai.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
torenkauw , toonieka , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , tooniekaas , torenkraai
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
torenkauw , torenka , torenkrèei, torenkaon, torenkaai, torenkag , de , Ook torenkrèei, torenkaon (Zuidoost-Drents zandgebied), torenkaai (Midden-Drenthe), torenkag (Kop van Drenthe). Verder als bij ka I = torenkraai, kauw, Coloeus monedula Torenka’s kuj mak maken, mor alles wat blunk, steulen ze (Sle), Wij hebt torenkao’s in de schörsteein (Gas), Een torenkag kan praoten (Zey)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
torenkauw , torenkao , zelfstandig naamwoord , de 1. torenkraai 2. vinnige vrouw
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal