elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: treiteren

treiteren , traiteren , (werkwoord) , sarren. Van hier traiterkop.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
treiteren , trettêrn , (de e gerekt uitgesproken) = treiteren, beleedigen, kwellen, plagen, ʼt Fransche traiter = behandelen, bejegenen, met gewijzigde beteekenis. West-Vlaanderen treten, tretten = schimpen, beschimpen; treter, tretter = schimper, beschimper; treten en greten, tautologie
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
treiteren , trettern* , bij v. Dale: treiteren [Multatuli schrijft: traiteren]; Westvlaamsch Idioticon: treten, tretten = schimpen, tautologie: treten en greten; vgl. Franck (Etymol. Woordenb.) in voce “treiteren”.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
treiteren  , traetere , plagen, sarren.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
treiteren , traetere , traeterde, haet of is getraetert , treiteren.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
treiteren , treitern , zwak werkwoord, overgankelijk , treiteren Dat döt hie louter en allennig um mij te treitern (Hol), Hij hef hum net zo lange treiterd, dat hij bekant gek wörde (Ruw), Dennen treitert tegen zien vrouw zit te vitten (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
treiteren , treiteren , treiteren
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
treiteren , trèètern , treiteren.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
treiteren , treiteren , werkwoord , 1. treiteren, pesten 2. de grond bewerken met een eg
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
treiteren , traaitere , werkwoord , traaiter, traaiterde, getraaiterd , treiteren Hij is altijd al zôô geweest, op school zattie de mêêster ôk al hêêl d’n dag te traaitere Hij is altijd al zo geweest, op school zat hij de meester ook al de hele dag te treiteren
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
treiteren , traetere , traetertj, traeterdje, getraeterdj , pesten
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
treiteren , traetere , werkwoord , traetertj, traeterdje, getraeterdj , treiteren
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
treiteren , traetere , werkwoord , pesten, sarren, treiteren
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal