elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: trekker

trekker , trekker , sjouwerman aan het Reitdiep of te Groningen die zijn bestaan vindt in het trekken van schepen, of ook: die een schip helpt trekken, al is ʼt ook voor een enkelen keer; de kaptain vragt vijr trekkers de roaken op en nō mouten de sjouerlu dʼr om löten. – Ook iemand die een meisje op schaatsen trekt, ten minste voorrijder is, en ook zooveel als: vrijer, wanneer men zegt: zij het ʼn trekker had = zij is met een jonkman op schaatsen geweest; het ijzeren voorwerp aan de egge, waaraan het een span of zeeltuug wordt vastgemaakt waarmede de paarden trekken.
(Stad-Groningsch), handwerksman die hooge rekeningen maakt, die zich ruim laat betalen door zijne klanten. Eigenlijk dus iemand die aan de beurs van een ander trekt, die inhalig is.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
trekker , trekker* , zie ook sjouerman *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
trekker , trekker , de , trekkers , 1. persoon, die trekt A’k mor een goeie trekker heb, kan ik ok wal metkommen (Sle) 2. voorwerp om iets naar je toe te trekken De gastestreek wordt nao het intrekken mit de trekker schone etrökken grote hark, ongev. 1.80 m breed, om losse halmen etc. bij elkaar te brengen (Hav), Een trekker um de asse uut de aovend te halen (Pes), De meeste meinsen bij oens in de buurte hebt al zo’n trekker um de ramen te wassen (Hav), Mestvörke of trekker (Dwi) 3. tractor Trekkers bint in leeg laand vaeke ondingen (Die) 4. taai onkruid (Zuidwest-Drenthe, zuid) Hanepoten of trekkers, daor mus ie niet mit de harke achterkomen, dat kostte een boel harketaanden (Koe) 5. trekbalk De trekker is de balk boven de baanderdeur (Emm), De trekker moet goed vast emaakt worden an de gebienten, aans zakt joe de mure uut (Nije), Een trekker is een balk mit taanden (Pes) 6. uitroeper op een boeldag (Zuidwest-Drenthe) 7. moeilijk te melken koe Die ko is een taoie trekker (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
trekker , trekkerd , de , trekkerds , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = gemene klap Hij kreeg een goeie trekkerd klap met een stok (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
trekker , trekker , zelfstandig naamwoord , de 1. iemand die een zaak trekt, door te stimuleren verder brengt 2. tractor 3. trekker van een vuurwapen 4. iemand die voortdurend probeert een lagere prijs te bedingen, ook: iemand die nooit iets van de prijs af wil doen 5. bep. gereedschap bij het stoelemaeken 6. publiekstrekker 7. iemand die de veenspecie bewerkt in de baggelbak 8. iemand die trekt: met een kampeertent, een camper enz.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
trekker , trekker , zelfstandig naamwoord , trekkers , trekkertie , achillespees Van te klaaine schoene hattie zeere trekkers gekreege Van te kleine schoenen had hij pijnlijke achillespezen gekregen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
trekker , trekker , tractor
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal