elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: trouwen

trouwen , trouwen , (werkwoord) , op de wijze der Duitschers betrouwen. Is niet algemeen hier gebruikelijk.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
trouwen , trouen , voor: vertrouwen; ik trou dei boudel nijt = ik vertrouw die zaak, dat werktuig, enz. niet. Hoogduitsch trauen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
trouwen , trouen , trauen , als zelfstandig naamwoord; in ʼt trouen = tijdens het huwelijk; zij het nijt veul wil had in heur trouen = zij heeft niet veel genot gehad zoolang zij gehuwd is.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
trouwen , trouen , voor: vertrouwen, in ʼt Hoogduitsch trauen, bvb. ik trou de boudel nijt.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
trouwen , trouen , als zelfstandig naamwoord = huwelijk: ien zien trouen = gedurende zijn huwelijk; dit ook Nederlandsch, evenals: vóór, na, zijn trouwen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
trouwen , trauen , onzijdig , huwelijk. Ik wöönsche ů het beste in ůn trauen.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
trouwen , trauen , traude, etraut , trouwen. Uaaver ’n huttentutbessem etraut wiäân: een ongelukkig huwelijk hebben.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
trouwen , trouwe , werkwoord , Trouwen, in de zegswijze trouwe op gimpies, overhaast (moeten) trouwen. – Trouwe op rolskaase, zie de vorige zegswijze – As je trouwe gane, moet je je ouge in je hande neme. 1. Wie trouwplannen heeft, moet niet teveel afgaan op uiterlijk schoon, op schoonheidsfoutjes of op andere tekortkomingen. 2. Wie trouwt, moet er rekening mee houden dat hij of zij, eenmaal getrouwd, niet teveel aandacht aan uiterlijk schoon van anderen kan of mag schenken. – As je trouwe, moetje ’n grôte doufpot hewwe, huwelijkspartners moeten in staat zijn hun ruzietjes snel bij te leggen, moeten veel kunnen vergeven en vergeten, moeten niet met hun (onderlinge) problemen te koop lopen. – Trouwe, da’s voer zoeke voor ’n aâr z’n goit, voor een jongeman betekent (betekende) trouwen, dat hij andermans dochter moet (moest) onderhouden. – Trouwe is gien klompe passe(n), je hebt niet zo maar een passende huwelijkspartner gevonden, trouwen is een serieuze zaak. – Trouwe(n) is houwe(n), trouwen betekent: voor altijd bij elkaar blijven. – De eerste (trouw je) uit genegenhoid, de tweide uit verlegenhoid, de eerste trouw je uit liefde, de tweede (met name als je weduwe of weduwnaar bent geworden en (jonge) kinderen hebt) uit noodzaak, uit verstandelijke overwegingen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
trouwen , trouwen , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze in z’n (d’r) trouwen, gedurende de tijd dat hij (zij) getrouwd is. | Hai is in z’n trouwen puur aârs worren.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
trouwen , troeë , troede, haet of is getroet , vertrouwen; wagen, durven. Dem troe ich veur niks: hem vertrouw ik nergens voor. Dat troet er zich neit: daar waagt hij zich niet aan.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
trouwen , troue , troude, haet of is getrout , trouwen. ẹ Maetje den trou vraoge: een huwelijksaanzoek doen. ’t Getrout laeven is geine paeperkouk daeste kéns pruive: trouwen is houwen. Zie ook: sjoon.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
trouwen , traowe , trouwen, mensen in de echt verbinden.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
trouwen , trouwen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , trouwen Zie gaot ankom week trouwen (Gie), Hij hef de dochter van de baos trouwd (Nsch), Zij trouwde in het wit (Klv), Vrogger zeden ze, as een maagien mus trouwen: eet mor moederkoren, dan komp het zo weer lös (Hgv), Het gezegde was vaok: je trouwen maor einmaol (Pei), Aj een Griet of Trien trouwd hebben, heuj gien hond anschaffen, zeg mien man (Nor), As een jong een wicht zitten luut, wuurd e deur het jonkvolk trouwd. Hij gung dan op een wagen deur het darp (Sle, veroud.), vandaar Wat zul Griet hellig wezen, as zie wus, dat het jonkvolk Klaos trouwen wol een koude bruiloft wilde (ndva), (zelfst.) In het eerste jaor van oes trouwen kreew een kind (Hav), Het trouwen komt er weer in (Coe), Zie hebt het trouwen klaor gaan binnenkort trouwen (Oos) *Trouw je buurmans dochter en koop je buurmans koe dan weet je wat je hebt (Sle); Die de koe trouwt, hef het kalf ok (Scho); A’k oe niet weerzie, trouwt mar, ...stuur mor een kaarte afscheidsgroet (rond Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
trouwen , trouwen , trouwen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
trouwen , trèùwe , trouwen , Gôdde géij trèùwe, daor hé'k niks van gehurd, is't al korts of duur'et nog éfkes. Gaan jullie trouwen, daar heb ik niets van gehoord, is 't al vlug of duurt het nog even.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
trouwen , troûwe , zich troûwe , werkwoord , troûwde, getroûwd , trouwen , VB: 't Koémend jaor zién v'r viertig jaor getroûwd. Zw: Troûw dich, de laachs dich kepot: ironisch gezegd bij strubbelingen in het het huwelijk of bij de opvoeding.. Zw: Wienie gèiste troûwe ? Antw: Es de klie oét 't véld ês (=nooit); zich troûwe VB: 't Ês sjpiétig dat 'r zich noets getroûwd hèt.; trouwen (op oudere leeftijd trouwen) aad zeende troûwe VB: 'r Ês aad zeende getroûwd meh ze hebbe toch nog twie keender krège.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
trouwen , trùiwe , trùiwt , trouwen. trùiwt (trouwt)
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
trouwen , trèùwe , trouwen
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
trouwen , [vertrouwen] , troewe , troewtj, troewdje, getroewdj , vertrouwen, vertrouwen hebben , Ich troew ’m neet.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
trouwen , troewe , werkwoord , troewtj, troewdje, getroewdj , vertrouwen; dae mins troew ich neêt – die man vertrouw ik niet
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
trouwen , trowwe , trawwe, trouwe , werkwoord , trowtj/troetj, trowdje/troedje, getrowdj/getroedj , tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); derde vorm Nederweerts, Ospels; trouwen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
trouwen , trouwe , traawe , zwak werkwoord , "trouwen; De Wijs – Zij is aaltij haontje de veurste gewist, echt bèdehaand; ze vree mee d’ur zistien al thuîs en mee ’t trouwen mos ze ôk hard lôope… (10-03-1967); Van Beek - ""Trouwen breekt de huur."" Dit houdt verband met de goede gewoonte, die in onze streek nog op de landbouwdorpen bestaat, om de dienstbode en de inwonende boerenknecht voor een vol jaar te huren in mei. Ook het inhuren geschiedt voor een vol jaar. Alleen als er een huwelijk tussen komt, wordt de termijn met wederzijds goedvinden verbroken. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958); Henk van Rijen - 'traawe'; Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zó gaa as ge kaod genoeg gedaon hèt, lot O.L.H, oe trouwe (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - Met het huwelijk eindigt het vrije leven. Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - de irste trouwde öt geneegenhèd, de twidde öt verleegenhèd (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) - een weduwe of weduwnaar moet wegens omstandigheden vaak trouwen. Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - aster en vrouw getrouwd òf en pèrd gekòcht wòrdt, moete der nie tusse koome (Kn'50) - met tussenkomst is geen eer te behalen; Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as ge gaot trouwe, moete begiene meej en aaw vrouw èn en jong vèèreke, aanders boerde oover de start (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - ... anders ga je financieel te gronde; Henk van Rijen - 'Hè-s meej unne smalle ring getraawd - hij neemt het huwelijk niet zo net; WBD III.2.2:85 'trouwerij', 'trouwpartij' = huwelijk; Pierre van Beek – …vast staat wel, dat zekere Tilburgse Dusée, die een verstokte vrijgezel was - en daarbij een grapjas ook! - de volgende woorden op zijn rekening geschreven ziet. Als er sprake over trouwen was, zei hij steeds: ""Ze hebben Onze Lieve Heer gemarteld en gekruisigd mar nog nie laote trouwen!"""
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal