elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: uiterdijk

uiterdijk , uterdiek , uiterdijk , (onzijdig), geschreven: uiterdijk. In ’t Oldampt verstaat men daaronder den aanwas buiten den Dollertsdijk, en is daar zooveel als: kwelderland; in Hunsegoo en ’t Westerkwartier noemt men aldus de polders en poldertjes, die aan het binnenland palen, de voorlaatste van den bedijkten aanwas der Wadden en van het Reitdiep, de laatste overeenkomende met de bedijkte Uiterwaarden van Gelderland, enz. Wij hebben o.a.: ’t Soaksemer Uterdiek (in geschrifte Saaksumerpolder); ’t Andelster Uterdiek, Warfemer en Ōskerder Uterdiek, dat is al het land tusschen den Middeldiek en de Olle diek; van den laatsten zijn nog eenige sporen aanwezig; ’t Panster Uterdiek (in geschrifte Panser polder), enz. – uterdieksland = land tot eene der uterdieken behoorende. Oostfriesch üterdiek, üterdieksland = weideland buiten den zeedijk, Nederlandsch: buitendijksch land. Vgl.: uiterwaard = buitenwaard; het Noord-Brabantsche uiterkant = buitenkant; uiterrand = buitenrand, alsook: Uterboeren (Uiterburen, gemeente Zuidbroek). Zie ook: kwelder.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
uiterdijk , euterdijk , oeterdijk , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Thans verouderde bijvorm van uiterdijk. Buitendijk, de naar het buitenwater gekeerde zijde van de dijk. ‒ Ook stukken land, die aan de uiterdijk gelegen zijn, worden aldus genoemd. || d’Euterdijk van Cornelis Joons kindren, Polderl. Kromm. (a° 1665), f° 51. Een euterdijk, ald. f° 66. d’Euterdijken by den Busch, ald., f° 85. Die cleyne euterdijck (stuk land op het Zuidend van Westzaan), Hs. Weeskamerboek (a° 1630), f° 46, archief v. Westzaan. In de Middeleeuwen vindt men de vorm oeterdijc. || Item die oeterdijc op Bellinghen hem (te Krommenie, a° 1355), Hs. v. Egmnod B, f° 9 v° . Als dat die Schinckel-dijck dicht sal tusschen Zaenderdam, ende Claes Symonsz. Otterdijck (door de uitgever wel verkeerd gelezen voor oeterdijck) streckende aen de Zuydt-zijde van der Braecke (te O. Zaandam, a° 1414), LAMS 666. Een Schou op den Ooterdijck bij Zaneredam, binnen den Banne van Westzaanden, aen den Dijck te beginnen ende Zuyd-waerdt uyt gaen (a° 1412), Priv. v. Westz. 426. ‒ Ook elders in N.-Holl. vindt men die zelfde vorm. || Daer moeten gheen scepen legghen bynoerden die steede an gheen oeterdicke, by neghen pond (keur v. Enkhuizen, 15de e.), Wfri. Stadr. 2, 225. Soe moeter niemant voghelen in die oeterdick, op een pont (idem), ald. 2, 221. Item dat vierendeel van een cleyn oetterdijck, gelegen in den ban van Lymmen (a° 1476), GONNET, Zijlkl. 200. ‒ Daarnaast komt voor eeterdijck. || Gheen riet te winnen binnen dijck, ende eeterdijck etten noch mayen (keur v. Grootebroek, 15de e.), Wfri. Stadr. 2, 276. Oeck so moet daer niemant den dijck ende den eeterdijck etten off mayen (idem), ald. 2, 264 var. (de tekst heeft uterdijck).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
uiterdijk , uiterdijk , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , De buitenkant van de zeedijk, het buiten langs de dijk gelegen land. Zie euterdijk. || Men sal schutten (vreemd vee gerechtelijk in bewaring houden) opten Uytterdycken, ten waer dat de Uytterdycken geheyndt waeren van den Hoogen-dyck, Handv. v. Assend. 62 (a° 1465). Ende sullen alle Beesten schutbaar wesen, die niet en syn voortdryvende, soo wel op de uyterdyken, die niet afgeschut noch afgescheyden syn, als op den Hoogen-dyk, ald. 219 (a° 1659). – Ook als naam van stukken land. || De Uyterdijk by Beerten-sluis (onder Assendelft), Hs. (a° 1770), archief v. Assendelft. Vgl. Papen-uiterdijk op papeland. – Ook elders in N.-Holl., Friesl., Gron. en Oost-Friesl. bekend; zie b.v. MOLEMA 437 b.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
uiterdijk , uterdiek* , Nederlandsch: buitendijksch land.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
uiterdijk , uiterdijk , uiterwaard.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
uiterdijk , utterdiek , uterdiek , zelfstandig naamwoord , de 1. uiterdijk, buitenste dijk; vooral: dijk langs de Lende als waterkering 2. land op, bij de utterdiek in bet. 1
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
uiterdijk , ùìjterdèìjk , uiterwaarde
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal