elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: uitlopen

uitlopen , oetloopen , afgeloopen; hij wilde zien of ’t good oetloopen was.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
uitlopen , oetloopen , uitmunten, uitblinken, van menschen en dieren; dei os, dei harddroaver, enz. lopt’r hijlendal boven oet = overtreft ver de overigen; zich van het uitgangspunt (hōnk) verwijderen, bij het tikspel. Zie ook: ankriegen; van den mond = vurige uitslag aan de onderlip, gewoonlijk een teeken dat de (gewone) koorts zal wegblijven. Vgl. uitloopen = uitbotten. Kil.: de mond loopt wt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
uitlopen , uutloopen , hij lopt ʼr uut = hij munt uit. Bij v.Dale: uitloopen = meer plaats innemen dan iets anders.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
uitlopen , oetloopm , werkwoord , ontkiemen, ontluiken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
uitlopen , oetlopen , sterk werkwoord, onovergankelijk , 1. uitlopen, uitbotten De bomen lopen al weer uut (Erf), Deur de natte tied is de rogge almaol oetlopen (Oos), z. ook oetbotten 2. langer duren Die vergadering is goed uutlopen (Klv) 3. voor anderen uitlopen Hij leup nogal oet, hij har veul meer punten as de andern (Bov) 4. eindigen, aflopen Hij hef de wedstried uut elopen (Dwi), Het is op niks uut elopen (Wsv), Zij staot menaar niet, det löp nog op ruzie uut (Ruw) 5. uitlopen van een kleur Het klied is uut elopen (Hgv) 6. veranderen van de windrichting (Zuidwest-Drenthe, zuid) De wiend löp uut, het kan wel ies règen worden (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
uitlopen , uutlopen , uitlopen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
uitlopen , uutlopen , werkwoord , 1. naar buiten lopen, eruitgaan, uitgaan 2. uitbotten, uitspruiten, ontkiemen 3. langer duren dan gedacht 4. van teksten: langer worden dan voorzien 5. van figuren, vlakken, terrein enz.: eindigen 6. uitlopen, als resultaat hebben, eindigen 7. naar het noorden gaan 8. m.b.t. schoeisel: door erin te lopen groter doen worden 9. vrijuit, zonder remmingen lopen 10. opvallend anders zijn 11. vorderen in tijd 12. vocht verspreiden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
uitlopen , uutlopen , (werkwoord) , uitlopen. Zie ook: kienen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
uitlopen , oetloupe , uitlopen , Gans Thoear waas oetgeloupe toen de kuuenegin kwaam. In ’t vuuerjaor begintj alles oet te loupe.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
uitlopen , oetlaupe , werkwoord , löptj t, leep t, oetgelaupe , uitlopen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
uitlopen , ötlôope , werkwoord , ötlôope - liep èùt – ötgelôope , uitlopen; loten vormen van planten en bomen, uitlopers krijgen; 'sprèùte', 'ötschiete', ‘ötbotte’; Henk van Rijen: al mot ek er de bêene vur onder mene zulder ötlôope; in tegenwoordige tijd vooaalkrimping: lopt èùt
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
uitlopen , oe~tloupe , uitbotten
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal