elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: verzeggen

verzeggen , [toezeggen] , verzeggen , (zwak werkwoord) , zik verzeggen, zich verbinden.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
verzeggen , verzeggen* , bij v. Dale: verklaren iets niet te willen doen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
verzeggen , vezeg’n , vzeg’n , werkwoord, wederkerig, zwak , zich verbinden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
verzeggen , verzègge , werkwoord , 1. Toezeggen. 2. Opnemen van boodschappen. | De kruienier komt alle weke boskippe te verzèggen. De slager kwam alle dingesdagge vlois te verzèggen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
verzeggen , verzeng , verzèè, verzeg , toezeggen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
verzeggen , verzeggen , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. verzeggen, toezeggen De jonge honden hew al verzegd (Pdh), IJ moet zölf ok wat holden en niet alles verzeggen, wat as hier steeit (Eex), Dat petret he’k an je breur verzegd (Bei), Het wicht was al verzegd was niet meer vrij (Vri) 2. in de steek laten, niet meer functioneren (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Het geweer verzee en de patroon ketste (Een), Het mesien verzeg mij (And), De aolde fiets hef het mij verzegd (Bor), De aole trekker kan oes alle daogen verzeggen (Wed)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
verzeggen , verzeggen , verzègen , 1. toezeggen; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: niet willen doen. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: verzègen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
verzeggen , verzeggn , beloven. Ik heb de buurman de vârkns verzeg.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
verzeggen , verzeggen , werkwoord , 1. verzeggen, beloven 2. in Die is al verzegd die persoon heeft al verkering
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
verzeggen , verzegge , werkwoord , verzeg, verzee, verzaaid , toezeggen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
verzeggen , verzegge , beloven , hij eeget aon mij verzeet, mar hij gaaf ’t aon ’n aander = hij heeft het aan mij beloofd, maar gaf het aan een ander-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
verzeggen , verzeed , toegezegd , Die klok hék óns Tónny verzeed vur ás ik dood bén. Die klok heb ik onze Tonny toegezegd voor na mijn dood.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
verzeggen , verzègge , sterk werkwoord , Frans Verbunt (16) - beloven; CiT (61) 'Hij hee z'n nuu tebakskaort al verzee aon z’n bruur; verzeej - verzegd, beloofd; Cees Robben – Ik ben al verzeej bij ons taante Nolda.. (19690207); Cees Robben – Zèède ’n zondag al verzeej... (19621026 – geen Prent van de week maar gelegenheidsprent); Hees verzeggen, verzeed (VIII:19)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal