elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vijfkop

vijfkop , viefkop , zie: kokje.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vijfkop , vîfkòp , (mannelijk) , Noemt men spottend wel eens een hoogen hoed of kachelpijp. Ook Gron.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
vijfkop , viefkop* , vergel. hokje * en dop * (bldz. 513.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
vijfkop , [hoge hoed; kachelpijp] , vîfkòp , (mannelijk) , noemt men spottend wel eens een hoogen hoed of kachelpijp. Ook Gron.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
vijfkop , voifkop , zelfstandig naamwoord , 1. IJzeren maat (5 liter) (verouderd) 2. Hoge hoed met het model van een 5 liter-maat (verouderd) 3. Iemand die zeer lelijk is (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vijfkop , viefkop , maatbak voor o.a. aardappelen (5 liter).
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
vijfkop , viefkop , maatbak voor aardappelen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
vijfkop , viefkop , de , inhoudsmaat (5 liter) Een spient eerappels is gelieke an een viefkop en det is zowat drei en een halve kilo (Mep), Een viefkop wörde gebruukt vèur het ofmeten van siepels, appels en bonen. Het was emèuken van metaol (Dwi), Nunen weurden per viefkop verkocht (Zdw), Hie hef een kop as een viefkop (Die), Doe, bliksemse viefkop, weej het beter as ikke? scheldwoord (Hav)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vijfkop , viefkop , vijfkop (= 5 dm3)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vijfkop , vuufkop , viefkop , zelfstandig naamwoord , de 1. vijfkop, bep. inhoudsmaat: vijf kop, maatbeker van vijf liter e.d. 2. hoge hoed
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal