elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vileinenbijter

vileinenbijter , fielainebieter , (Ommelanden) = woatebieter, woartebieter (Oldampt Westerwolde) = peerdebieter = glazemaker, juffertje, een gevleugeld insect behoorende tot het geslacht Libellula, bij v. Dale puistenbijter, schaalbijter, schalebijter, scharrebijter, loopkever, oosterpaard, dat in het hout boort om daarin zijne eieren te leggen. Prof. Cl. Mulder zegt: “Zoowel hier (Groningen) als in naburige gewesten hoort men van Wrattenbijters of Woatebiters, van Schalebijters, Bleinebijters (blaarbijters), Vileinebijters, Paardebijters (in Friesland), soms Bijenbijters of Bijenvreters.” (Konst- en Letterb. 1855 p. 410). “Deze diertjes, die tot de weinig talrijke orde der netvleugelige insecten behooren heeten juffers of glazenmakers, in den mond des volks wrattebijters of donderbolten.” (Zuidwolde 1880). Oostfriesch bleinbieter, Hoogduitsch Warzenbeisser. Zie: fielain, en: woat.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vileinenbijter , fielainebieter* , is eigenlijk de “glazenmaker”, ook “juffertje” geheeten.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal