elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vingerling

vingerling , vingerling , sloopje. Zie: doemeling, en: sleup.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
Vingerling , Vingerling , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Naam van een buurt te Zaandam achter de Oostzijderkerk. Oorspronkelijk een afdamming ten behoeve van de duikersluis op de Dam. || Hooft-Ingelanden, Dijkgraaf ende Heemraden van de Beemster in off omtrent den jare 1612 doende legge tot Oostsaandam in den Hogendam een Duyckersluys, benificeerden off gaven uyt een puure Liberaliteyt ... aan dese kerke, en tot haren behoeve alleen, alle de aarde die tot opmaking van ’t vingerling voor derzelven nieuwen duycker was geleyd ..., uyt welcke ... aarde het vingerling, leggende ten Westen en Suyden van de voorsz.: kerk is opgemaeckt geworden, HARINGH, Hist. Verhaal der Kerk te Oost-Zaandam 189 vlg. De respective Kerckmeesteren geauthoriseert hebbende omme hetselve opgemaakte vingerling te mogen verkopen ten profijte van de kapel van Zaandam en kerke van Oostzanen, ald., 194. Blijkens bl. 201 behoorden erven aan het Vingerling toe aan Cornelis Teeuwisz. Vingerling, die waarschijnlijk genoemd is naar zijne woonplaats; vgl. ook 232: het huys van Cornelis Vingerling, sijnde het zuyderste huys op ’t vingerling. – Ook elders in Holl. kent men vingerling als benaming voor een afdamming van geringe afmetingen, tot herstel van metselwerk onder water (zie PIJTAK, Bouwk. Wdb. 614).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vingerling , vingerling* , zie ook sleup *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
vingerling , vingerling , de , vingerlingen , 1. beschermhoes voor verband om een zere vinger Mit de vingerling umme hool ie het lappie mooi schone (Eli), Vingerlingen weurden emaakt van een olde onderbroek (Zdw), Ie kregen een vingerling um de vinger en een doemeling um de doem (Dwi) 2. wijsvinger (Pdh), in Doemeling, vingerling, lankhals, biertapper en loezenknapper de vijf vingers
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vingerling , vingerling , zelfstandig naamwoord , de; vingerling: vingerovertrek
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal