elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vrede

vrede , vrede , In de inkomst van Engelbert van Nassau te Breda, bij VAN GHOOR, beschrijving van Breda, bl. 468, leest men: “Voorts hebben wij der Stadt en den geheelen Lande voorsr. in rechter gracien gegeven, dat die broecke van enen onwetende vrede sonder dootslach sal staan op t’sestig pond ouder zwerter tournoysen.” Dat vrede hier moet verstaan worden van eenen vrede of zoen, door eenen des onwetenden geschonden, blijkt uit de volgende woorden van dit artikel: “Ofte een vrede stond tusschen partijen, ende een persoen die daer in ruerde twistich worde op enen anderen, die oec in dien selven vrede rueren mochte, mer dese twister hadde so uutlendich geweest, dat hi van den vrede niet en wiste, ofte hi wair binnen landes geweest, mer hem en ware niet condich, dat dieghene dair hi op getwist hadde, soe verre binnen maescappen ware der eenre partijen, dat hi in den vrede rueren mochte, dat sou heiten een onnosel oft een onwetende vrede.” In de oude Friesche wetten was ferd, fird, vrede, eene boete, welke aan den Heer, wegens eenen geschondenen vrede, betaald werd.
Bron: Hoeufft, J.H. (1838), Aanhangsel op de proeve van Bredaasch Taal-Eigen, bevattende ophelderingen van eenige in onbruik zijnde woorden en spreekwijzen, in oude Bredasche stukken voorkomende, Breda.
vrede , vree , vreede , afsluiting, omtuining, omheining, ʼt HD. Zaun.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
vrede , vrè , (vrouwelijk) , vrede.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
vrede , vrede , in den uitroep van verwondering: mien vrede! of: moar mien vrede! (bv.) bin ie hier? (– zijt gij hier?) Voor: in godsnaam, zegt men veelal: in vredes noam! dat wel weer verkort wordt tot: in vrede! – Als groet bij ’t vertrekken dient: ik wens joe de vrede! ook alleen: de vrede! Zeker in navolging van Luc. 24:36.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vrede , vree , (= vrede); loat mie ’t doch mit vree opdrinken, enz., zooveel als: laat mij met rust zoolang ik drink, enz.; ’k heb gijn vree van hōm = hij laat mij niet met vrede, (de jongen wil mij niet met rust laten).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vrede , vrede , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – Te vrede, te Assendelft als nachtgroet. || Nou hoor, te vrede! en slaap maar goed. – Vgl. bij VONDEL (ed. V. LENNEP) 8, 381: Eneas ... lagh stil, en wel te vrede op zijn kampanje en sliep.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vrede , vrede* , “in vredes noam” wordt vaak verkort tot: in vrede, beide ook elders.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
vrede , vräâ , vrääde , vrede
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
vrede , vrea , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , rust, vredigheid
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
vrede , vrèè , 1. vrede (geen oorlog). 2. instemming, b.v.: doar he’k vree mee = daar kan ik mee instemmen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
vrede , vrèè , vrede.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
vrede , vrèè , afrastering.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
vrede , vrede , de , vrede Daor is de vrede weerkeerd (Bal), De vrede is nog wied vort (Klv), z. ook vree
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vrede , vree , vrèe , de , Ook vrèe (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. vrede, rust Die holdt mit gien buren vrèe, zie is zo kribberig as de pest (Hgv), Daor hew vree met (Gro), Ien die over zuk hen lat lopen, hooldt met alle mèenschen vree (Scho), Umwille van de lieve vrèe (Ruw), As e met vree vort kun, dan dee e het zonder herrie (Sle), z. ook vrede 2. vrijplaats bij tikkertje (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Plak an of vree (Oos) 3. afrastering (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) De koenen bint er oet, wij hebt de vree kepot (Sti), Een kaampe is een stuk laand, dat hielemaole in vree stiet (Hav), z. ook vreding
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vrede , vree , (Gunninks woordenlijst van 1908) vrede
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vrede , vrèè , vrede. Aj niet veur voldoende vrèè zörg, dan krieg iej oe zelf ’t meeste; iej komp met de buurn in onvrèè.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
vrede , vrèè , afrastering, omheining. Vrèè en vrèètn, dat heb de diers neudeg.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
vrede , vrèj , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , - , - , vrede , VB: De vrèj haw neet lang gedoord, 't wäor zoe weer oerlog. Zw: Laot mich mêt vrèj: met rust.; mêt vrèj laote rust (met rust laten); mêt vrèj laote VB: Laot mich mêt vrèj, ezzebleef, m'nne kop sjtèit d'r neet nao.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
vrede , vree , vroch , vrocht, vracht, vruch , afrastering; vreepaol, vreepost, afrasteringspaal.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
vrede , vreej , (vrouwelijk) , vrede , Laot ’m noe ins efkes mèt vreej: laat hem even met rust.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
vrede , vreej , afwezigheid van ruzie; vreej haoje – geen ruzie maken: mèt hem is het lestig vreej te haoje – het is moeilijk om geen ruzie met hem te krijgen; örges vreej met höbbe – zich ergens mee kunnen verenigen, er genoegen mee nemen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
vrede , vrieëj , vreej , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , tweede vorm Nederweerts, Ospels; vrede
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal