elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vreding

vreding , vreeîng , vreding, bevreding , omheining, afschutsel van grond, van een put, enz. Order op de Schouwing (1803), art. 10: vreding = dam, afsluiting. Landr. (1608) III, 47: vredinge van tuinen; IV, 29: bevredet; - 30 bevrediget = verzoend. Van daar: huisvrede; het recht bevredigen, zoo dikwijls in ʼt Landr. voorkomende. Dr. Landr. (1712) II, 48: de Schults heeft macht het Recht te bevreden; IV, 25: Een iegelijk moet in zijn Huis bevredigt zijn en die de Huisvrede breekt – die breekt (verbeurt) hondert Goutguldens. –
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
vreding , vreding , (Westerwolde) = soort van schutting. “Het aanleggen, onderhouden en gebruiken van plaatsen, bruggen, vonders, vaarten, kanalen, slooten, vredingen, (enz.) geschiedt onder zijn (van den Kommandeur of Opzichter van Ter Apel en Ter Haar) toezicht.” Voorts: “– boonen-stokken, erwten-rijs, vredinghout en dergelijke zullen door de huurders der Stadslanden in geen geval mogen worden genomen zonder zijne bepaalde toestemming en onder zijn toezicht.” (Hand. Gem.raad Gron. 1871). Zoo wordt in eene aanbesteding van gemeentewege o.a. gesproken van: het plaatsen van erfbevredigingen. Drentsch vreëng, vreding, bevreding = vree, vrede, omheining, afsluiting, afschutsel van grond, van een’ put, enz. Dr. Landr. (1712) III, 101: vredinge van Tuinen; 105: bevredingen, en: vredingen. Hoogduitsch Friede = omheining; befriedigen = omheinen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vreding , vredingen , voorkomende in gedrukte Groningsche Raadsbesluiten betreffende stadsbezittingen, zal eene verhollandschte schrijfwijze voor vringen of wringen zijn; ʼt is echter mogelijk, dat men hier te denken heeft aan het Hoogduitsche Friede = omheining; het materiaal er voor heet vredinghout. In een aanbesteding van gemeentewege wordt o.a. gesproken van “het plaatsen van erfbevredigingen”, blijkbaar van het Hoogduitsche befriedigen = omheinen.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
vreding , vreding , vreeëng, vree , de , vredings , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook vreeëng (dva), vree (Zuidoost-Drents zandgebied) = afrastering Wij hebt de vreding al klaor; de koenen kunt mörgen wal oet, as het goed weer is (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vreding , vredige , vredinge, vrediging, vredingeri’je, vredigeri’je , zelfstandig naamwoord , de 1. afrastering (om een stuk land, grond anderszins, zodat het vee niet kan ontsnappen) 2. het materiaal waaruit de afrastering bestaat 3. het vredigen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal