elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vrij wat

vrij wat , vreiwat , vrijwat , vrij aanzienlijke hoeveelheid, tamelijk veel, tamelijk groot, enz.; d’r was vreiwat volk; hij het vreiwat geld arft; hij het vreiwat schulde over zien ploats. Voorts: ’t gait vreiwat goud = ’t gaat nogal goed, er is geen reden tot klagen; ’t verscheelt, of: ’t scheelt vreiwat = ’t verschil is groot; ’t is vreiwat krekt tien uur = ’t is vrij juist tien uur; is vreiwat krekt honderd pond; zij bin vreiwat geliek = tamelijk gelijk. (v. Dale: vrij wat = veel.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vrij wat , vrijwat , in vrijwat krekt = vrijwel (bijna) precies; zoo ook vrijwat goud = tamelijk, nogal goed; in ʼt Nederlandsch alleen voor zelfstandige naamwoorden en werkwoorden: er waren vrijwat menschen, ʼt heeft vrijwat geregend.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal