elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vroeg dag

vroeg dag , vrougdag , vroodag , (vroegdag); ’t is nog vrougdag = nog te vroeg om naar huis te gaan, om van een gezelschap te scheiden; ook: ’t is nog vroug in ’t gasthoes, als men ontdekt dat het niet zoo laat is als men meende; ’t is mörgen (of: mörn) vrougdag = wij moeten morgen vroeg opstaan, de dag begint vroeg voor ons. Deze zegswijzen komen ook elders voor.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vroeg dag , vrougdag , zie: gasthuus .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal