elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vroegmelks

vroegmelks , vrougmelk , vroomelk , vrougmelkte kou (vroegmelkte koe); eene koe die in den herfst of winter kalft, dus veel vroeger dan op den gewonen tijd, nl. in Maart of April; Oostfriesch frômelk; tou vrougmelk speulen = op een’ tijd bij den stier brengen dat zij in den herfst, enz. kan kalven; hij het twei vrougmelken = twee koeien die dan reeds hebben gekalfd of nog moeten kalven. “Te koop aangeboden: Beste vroegmelke vaarsen die in het eerst van November kunnen kalven,” enz. (Nieuwolda 1865.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vroegmelks , vrougmelk* , vergel. nijmelk *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal