elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vuren

vuren , vieren , Vuuren.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
vuren , vuren , (Niezijl, enz.) = een stoot geven; vuur = stoot. Zie: anvuren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vuren , vuren , vieren , (zwak werkwoord, intransitief) , Daarnaast vroeger vieren. Zie de wdbb. – Ook: stoken. || Hij is al an ’et vuren (stookt al, heeft al vuur op de haard). Maandag den 27 ben ik met een schuytje ten huys uyt gehaalt en woonde op ’t solder, tot Donderdag den 30 doe wy weder op de haart konde vuuren (na een overstroming), Rym-Gedigt (Catal. Zaanl. Oudhk. no. 232), 9 (a° 1718). Zie nog een voorbeeld op vuister. – Eertijds ook elders in deze zin. || Item soe moet er nyemant vieren of wol spinnen in afterhuysen, op die boet van ses scellinck (keurboek v. Edam, einde 15de e.), O. Vaderl. Rechtsbr., Versl. en Meded. 3, 151. Ook bij SIX V. CHANDELIER (Tijdschr. 3, 282) en CATS (OUDEMANS 7, 621).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vuren , vuren , duwen, zie anvuren *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
vuren , vuren , vuren
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
vuren , vure , werkwoord , weerlichten, bliksemen (KRS: Wijk, Werk, Hout Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols); ‘Het vuurt in de verte’ (IJss) Zie ook *vuur . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 140)
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
vuren , vuren , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , van vurenhout Iepenholt is beter as vuren (Gas), Het waren vuren planken (Zwe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vuren , vuren , zelfstandig naamwoord, meervoud , turfhopen Vuren waren bulties törf die in de rondte opstapeld weurden mit een deursnee van ong. een meter van ondern en van boven leupen ze op een punt uut. Daor bovenop weur een plagge legd veur het inregen (Geb), We zetten de dreuge törf an vuren en de aandern in viemen (Eli)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vuren , vuren , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. (veend.) in een bult zetten, het maken van vuren. As de törf dreuge is, komp het in de bulte; dat heet vuren (Coe), Wij moen an bolster vuren (Klv) 2. (ku), in Hij vuurt een groot zwad heeft invloed en gezag
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vuren , vuren , werkwoord , 1. vuren: schieten 2. vurig, branderig worden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vuren , viere , werkwoord , vier, vierde, gevierd , [veroud] vuren, weerlichten ’k Gelôôf damme een donderbui krijge, ’t vier al
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
vuren , vuure , zwak werkwoord , blozen, rood aanlopen; Harrie vuurde ’n bietje... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 9; NTC 26-11-1938) ; ...en hij ha er van gevuurd toe in z'nen nek... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 – 18-4-1939)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal