elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: Waalse boon

Waalse boon , walseboonen , walskeboonen , (klemtoon op: boo) = groote boonen, eigenlijk: Walsche boonen. In ’t Duitsch: Welschland = Italie, daarvan: walnoot = groote noot. (v. Hall Neerl. Plantensch. bl. 199.) Neder-Betuwsch pottevullers, boereteenen, Noord-Brabantsch lapboonen, Oostfriesch walske bonen, Holsteinsch groote boonen. (Welsch, volgens ten Doornk., eene samentrekking van het Oud-Hoogduitsch walahisc, van: walah, walh, Angel-Saksisch vealh, veal = vreemdeling (Romaan, Italiaan, Franschman, Galliër, Celt), en den uitgang: isk.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
Waalse boon , walseboonen* , “groote boonen”ook elders, en bij v. Dale “tuinboon”, “Roomsche boon”; ze behooren tot het geslacht der Wikken.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
Waalse boon , waalsebonen , tuinbonen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal