elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: waardeel

waardeel , waardeel , waore, waordeel, waar , 1. aandeel in een onverdeeld veld, vol aandeel in de markte. Wie voor een vierde van een waardeel gerechtigd is in de algemeene markte heeft het recht er een zeker aantal schapen te laten weiden. Dr. Landr. (1712) III, 102: De geene die twee volle Waren in de gemeene Markte hebben, ʼt zij alleen of meer personen, zullen scheiding kunnen aanvragen. id. (1608): in eigendom hebben een vierendeel wardeels: (1712) III, 105: gewaardeelt = deelhebber zijnde; Gron. (Westerw.): woardijl, woare = gedeelte van eene esch ter grootte van 6 tot 8 hectare; die aldaar een vol aandeel heeft, wordt van ouds vol boer genoemd. In het Regl. op de beroeping van pred., 1673 art. 7: In de Carspelen Wedda, Onstwedda, Vlachtwedda en Sellingen zal men stemmen nae Mollenwaers ofte Waertallen, enz. In Gron. bij de houders van eendenkooien: woar (zond. meerv.) zeker getal waarbij de vogels verkoopen; elke eendvogel is eene, twee smijnten ook eene woar, enz. Friesch war: Van denzelfden oorsprong als het Nederl. waar, Oostfr. ware, wâr = handelsartikel; Nederd. MNederd. ware, MHD. war, ware, OEng. Eng. ware, AS. varu, ONoorsch vara, Noorw. vara, voru, vuru, Zw. vara, Deensch vare. Het beteekent, zegt ten Doornk., oorspronkelijk waarschijnlijk niets dan: iets wat men wenscht of begeert, inzonderheid wat men door ruil of handel zoekt te verkrijgen, en alsdan met het Sanscr. en Vendisch vara = wensch, begeerte, ook: voorwerp van begeerte, een gewenscht goed, tot den wortel: var = kiezen, uitkiezen, behoort. 2. iets dat inde war is
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
waardeel , woardijl , in Westerwolde gedeelte van eene esch ter grootte van 6 tot 8 hectare. Heeft iemand een geheel aandeel dan wordt hij van ouds vōlboer genoemd. Bij Laurman bl. 124 vindt men uit het Reglem. van Burg. en Raad van Groningen op de beroeping van Predikanten, enz. gearresteerden 21 Februari 1673 art. VII aangehaald, luidende: In de Carspelen Wedda, Onstwedda, Vlachtwedda ende Sellingen sal men stemmen nae Mollenwaers ofte Waertallen met behoolijcke bouwte, en in Hoorn ende Lutkeloo nae erven, tot wytmaeckinge van een volle Bour, sullende die van Frieschelo stemmen na deymttallen, invoegen in ’t Carspel Bellinghwolda wordt geobserveert. – Drentsch waar, ware = aandeel in een onverdeeld goed; vol aandeel in de markte. Zie o.a. Dr. Landr. (1712) III, 102, 105. – Oud-Drentsch wardel, werdel. “Om volgens (Drentsch) Landrecht van 1614 tot Ette te kunnen worden benoemd, moet iemand in eigendom hebben een vierendeel waerdeels. Waerdeel = het deel van het gemeenschappelijk grondbezit, voor iederen marktgenoot, op het tijdstip dat de marke gesloten wordt, dat de toetreding van vreemden niet meer wordt toegelaten”. (Mr. Seerp Gratama, Proefschr. bl. 63, 64.) – Overijselsch, ook in geschrifte: een huis en where = een huis en erf. (Vgl. were bij Driessen, Monum. Gron. bl. 208; ’t kan daar evenwel ook dijk, beteekenen Vgl. ’t Nederlandsche weer = omheining.). Nedersaksisch wäre, were = het rustig bezit van een erfgoed of van goederen in ’t algemeen. Vgl. woar 3.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
waardeel , woardijl* , Overijselsch (ook in geschrifte): een huis en where = een huis en erf; bij R. K. Driessen, Monumenta Groningana, komt op bladz. 208 ’t woordje “were” voor in een stuk van 1357, naar ’t schijnt ook = erf; “weer” Nederlandsch ook = omheining, tuin.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
waardeel , WAAR , waardeel , (ouderwets), recht om in een bepaald gebied vee te mogen weiden en te hooien
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
waardeel , waardiel , waordiel , het , (veroud.). Ook waordiel (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) = aandeel in de marke Mien grootaolden hadden nog waardielen (Sle), Dennend die een waordeeil hef, mag op de boervergaodern kommen (Eex), Hij stun gewaardeeld veur 90 waardelen in de marke van Ten Arlo (Zdw), z. ook waar
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal