elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wijdwagen

wijdwagen , wijdwagen , (bijwoord) , wagenwijd. De deur staat wagenwijd open, d.i. geheel open; zoo wijd als zij kan, zoo ook: deuren en vensters staan wijdwagen open, hij heeft al de deuren van kamers en kasten wijdwagen opengezet. Hij staat te kijken met den mond wijdwagen open, Zoo wijd dat er schier een wagen door kon, zoo wijd als een wagendeur.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
wijdwagen , wiedwoagen , wiedewoagen , wagenwijd; de deur stait wiedwoagen open. Geldersch wiedwage, Zeeland wiëwage, Den Haag wêigewaad. (Vgl. brekespel = spelbreker; dwingeland = landdwinger; razeil, Deensch seilra, enz.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
wijdwagen , wîdwage , (bijwoord) , Wagewijd.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
wijdwagen , wiedwoagen* , wiedewoagen , van Dale geeft de verbasterde vormen “wijdewaag” en “wijgewaad.”
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
wijdwagen , [wagewijd] , wîdwage , (bijwoord) , Wagewijd.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
wijdwagen , wiêdwaoge , wagenwijd wiêdwaoge ope wagenwijd open.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
wijdwagen , wiedwoagen , wagenwijd
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
wijdwagen , woidwagen , bijwoord , Variant van wagenwijd. Vgl. Fries wiidwaech. | De deur sting woidwagen open.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
wijdwagen , wiedwagen , wiedewagen , bijwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook wiedewagen (Zuidwest-Drenthe) = 1. wagenwijd De deuren stunden wiedewaegen lös (Die), Dat hek staait wiedwaogen lös (Pei), Hij haar de gulpe wiedwagen los staon (Klv) 2. heel ver (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) Het was wiedwaogen weg (Eev), Ze gooiden het wiedwagen weg (Bor) *Willem Weide woont wiedwagen weg (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wijdwagen , wiedwagen , wagenwied, wiedewägen , wagenwijd. Ook: wagenwied, Gunninks woordenlijst van 1908: wiedewägen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
wijdwagen , waidwaoge , wijdwaoge , bijwoord , wagenwijd De inrijdeure stonge waidwaoge oope De inrijdeuren stonden wagenwijd open Ook wijdwaoge [O] wagenwijd De deur stong wijdwaoge oop De deur stond wagenwijd open
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
wijdwagen , wiedewaogen , wiedwagen , wiedewaogen (open, los), wagenwijd (open).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
wijdwagen , wiedewage , wagenwijd, zie ook wagewied , De duuer stóng wiedewage oeape.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal