elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wak

wak , wak , (bijvoeglijk naamwoord), (bijwoord) , week, nat, vochtig, los, slap, zacht, regenachtig, ongestadig. , Wak weêr, wakke grond, wakke winter.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
wak , wak , (onzijdig) , wakke , zwakke plaats in het ijs, wak.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
wak , wak , (bijvoeglijk naamwoord) , lauw, vochtig (van het weer gebruikt) wak weer.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
wak , wak , woak , wak (Hoogeland) = woak (Oldampt) = rak (Westerkwartier meervoud rakken) = niet dicht gevroren plek in eene ijsvlakte, opening, door natuurlijke oorzaken, in het ijs. Friesch wek, wak, wjek, Oostfriesch wake, wâk, Nedersaksisch, Middel-Nederduitsch wake, Noordfriesch, Zweedsch wak, Deensch vaag, Zuid-Deensch vagg, Oud-Friesch wake = opening in het ijs, bijt. Kil. wack = nat, vloeibaar, niet vast, Angel-Saksisch wagian, Engelsch to wag = waggelen, golven; Gothisch vagjan = bewegen, voortbewegen, Oud-Hoogduitsch wekjan. Alzoo: eene plaats waar nog golfjes zichtbaar zijn, waar het water golft, zich beweegt. (v. Dale: wak = zwakke plaats op het ijs, gat in het ijs.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
wak , wak , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Meerv. wakken en waken. Gat in ’t ijs; zie de wdbb. || Pas op de waken. – Verscheide arresleede geard ..., konde wel eerder gedaan geweest zijn, maar door de waaken op sommige plaatse is dit verhindert geworden, Journ. Jacob Honig, 2 Jan. 1795. Door ’t Assendelver veld weder thuis, dog allerwegen zeer veel waken, besonder in binneveld, Hs (a° 1738). Mooy ijs, maar veel waken, idem. – Zegsw. Iemand in het wak leiden, hem er in laten lopen, van de wal in de sloot helpen. – Vgl. wakig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
wak , wak , (bijvoeglijk naamwoord) , Vochtig; inzonderheid van granen en zaden. || Wakke bonen (die niet goed gedroogd zijn). As de groene orten (erwten) je wak thuis bezorgd worre, ken ik niet oppassen dat ze niet schimmelen. (Het weer was) zeer nadt ..., dat voor dees tijt in den ost (oogst) sleght en wack saet en graen voortbraght, Journ. Caeskoper, Oct. 1682. – Zo ook elders; volgens VAN DALE ook van het weer: wak weer: nat, vochtig weer. – Twijfelachtig is of hierbij ook behoort de wakke wind van de volgende aanhaling; daar die uitdr. thans onbekend is, hebben we wellicht te doen met een schrijffout voor: wakkere wind. || (Wij voeren) met groote moeyte van wegent Is, also tY vol grondtijs gingh, en vroor met een wacke wint al uyten osten, Journ. Caeskoper, 16 Febr. 1685.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
wak , wak* , ook bij v. Dale.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
wak , wak , bijvoeglijk naamwoord , Nat, vochtig (van het weer) (verouderd). | ’t Is al dagelang wak weer. Vgl. het N.E.W. onder wak-2.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
wak , wak , zelfstandig naamwoord ’t , Wak in het ijs. Zegswijze ientje in ’t wak reide, iemand een totaal verkeerde raad geven.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
wak , wak , het , wakken , wak Een wak in het ies is gevaorlijk (Wap), z. ook windgat
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wak , wak , wakke , wak. Ook: wakke (Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
wak , wakke , wak.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
wak , wak , zelfstandig naamwoord , et; wak (in het ijs)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wak , wak , bijvoeglijk naamwoord , wak: vochtig, in * Meie koold en wak, haever in de zak
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wak , wakke , (zelfstandig naamwoord) , wak.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal