elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wand

wand , wand , muurtje of afrastering uit twijgen of takken saamgevlochten en met leem besmeerd.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
wand , wand , samenstel van staken, twijgen en leem, in plaats van gemetseld muurwerk, waaruit vroeger de huizen in Drente bestonden. Vóór 1795 toch werden er bijna geen steenen aan de huizen gezien, gelijk thans (1843) allerwege het geval is. Podagr. I p. 173.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
wand , wand , (mannelijk) , wende , wand, muur.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
wand , wand , voor: het achterste gedeelte van een bed; ’t pōtje slept in de wand = slept achter = het kleine kind ligt achter in ’t bed. Eigenlijk zooveel als: aan, of: bij den wand of muur. Zegswijs: iets an de wand gooien = er voorgoed mee uitscheiden, synoniem met: de nal ien ’t spek steken, maar dit alleen tijdelijk.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
wand , wande , wanne , (Stad-Groningsch) = scheidingsruimte tusschen twee gebouwen. “In het Noorden van ons land, met name in de stad Groningen, staan de huizen ieder afzonderlijk, daar er tusschen twee gebouwen gewoonlijk een gangetje gevonden wordt, dat echter zoo nauw is, dat één persoon daar slechts met moeite door kan gaan. Men noemt die enge ruimte tusschen twee huizen den wand.” (R. Koopmans van Boekeren, Kinder-Cour. 1867-1868, bl. 179). Art. 4 van het Regl. v. Politie (1863) luidt: “Ieder zal de wande, tusschen zijn gebouw of erf en het naastgelegene, in de maanden April en October, en voorts zoo dikwerf Burg. en Weth. dit door openbare afkondiging gelasten, schoonmaken of doen schoonmaken”. (De juiste spelling is: wande, en niet: wand; het woord is door bovengenoemden schrijver verhollandscht.) Dit woord komt reeds in 1623 voor en schijnt oorspronkelijk te beteekenen: afwatering tusschen de huizen. Zie: Trip Reiniging der Stad Groningen. Vgl. het Nederlandsch snijding, en Overijselsch wieg; wanne, door uitlating der d.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
wand , wand , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , vgl. flap-aan-de-wand.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
wand , wande* , (bldz. 576), Nederlandsch “snijding”, Overijselsch “wieg” (= wig?). – “In het Noorden van ons land, met name in de stad Groningen, staan de huizen ieder afzonderlijk, daar er tusschen twee gebouwen gewoonlijk een gangetje gevonden wordt, dat echter zoo nauw is, dat één persoon daar slechts met moeite door kan gaan. Men noemt die enge ruimte tusschen twee huizen den wand en op last van het stedelijk bestuur moet zulk een wand op gezette tijden gereinigd worden. Gewoonlijk zijn het arme vrouwen, die zich voor het verrichten van dat werk aanmelden. Aan den straatkant is die wand in den regel afgesloten door houtwerk, waarin beneden een soort van deurtje.” – Zie R. Koopmans van Boekeren, in de Kinder-Courant, 1867-68, bldz. 179. Officieel schrijft men steeds “wande” en nooit “wand.” Reeds in 1623 komt dit woord voor: oorspronkelijk schijnt het “afwatering tusschen de huizen” te beteekenen. Zie: Trip, De reiniging der stad Groningen, bldz. 38.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
wand , waond , onzijdig , maat van een stuk land (120 schreden)
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
wand , waond , vrouwelijk , weande , wand
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
wand , wand , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze weer bai de wand op kreêuwe (opkrabbele), 1. herstellen van een ziekte. 2. er financieel weer boven opkomen. – Bai de wand opvliege, 1. ten einde raad zijn, doordat men zich opgesloten voelt. 2. enthousiast werken, met name tijdens de schoonmaak. | Ik hew ’n beste help, ze vliegt bai taaie bai de wand op.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
wand , wanjt , mannelijk , wėnj , wand. Zoo wit wie de wanjt: krijtwit.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
wand , wand , waand , de , wanden , (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën). Ook waand (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) = wand Zie hebt almaol petretten an de wand (Gie), Hij sleug mit de kop tegen de wand (Bov), De raoten in een hummelnust hebt een wat sloppere waand rand (Wsv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wand , wand , waand , de, het , (Zuidoost-Drenthe). Ook waand (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe) = vlechtwerk van staken en twijgen, dat besmeerd werd met leem Die kamermuur is nog wand (Emm), Zo’n bo was van iekenholt en waand optrökken en met reit dekt (ku), De veurgevel was van waand (gevlöchten twieg, beplakt met liem en ook wel wat uut de koegruppe der bij) (ui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wand , wáánd , wand, muur. d’r hengt ’n kruisbèld aon de wáánd, daar hangt een kruisbeeld aan de muur.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
wand , waand , (Kampereiland, Kamperveen) wand
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
wand , waand , zelfstandig naamwoord , de 1. wand: van een kamer enz. 2. achterkant van de bedstee 3. pak rammel, slaag, bijv. iene een waand op ’e huud geven
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
wand , waand , zelfstandig naamwoord mannelijk , wan , wensje , wand , VB: Kom, v'r zitte dao 'nne waand tössje.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
wand , wàànd , wand, wand
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
wand , wandj , (mannelijk) , wenj , wendje , wand , Tieënge de wenj opgaon.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
wand , wanjdj , zelfstandig naamwoord , wenj , wenjtje , wand, muur; tiënge de wenj gaôn – tegen de muur op vliegen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
wand , wând , wândj , zelfstandig naamwoord, mannelijk , wendj , wendje , eerste vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); tweede vorm Nederweerts, Ospels; wand
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal