elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: wasdoek

wasdoek , wasseldoek , een vagedoek op tafel.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
wasdoek , [schoonmaakdoek] , wasscheldôk , waskedôk , (mannelijk) , vaagdoek.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
wasdoek , wasseldôk , (mannelijk) , Vaatdoek.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
wasdoek , waskeldouk , waschdoek, schoteldoek, Geldersch: wasseldoek.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
wasdoek , [vaatdoek] , wasseldôk , (mannelijk) , Vaatdoek.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
wasdoek , wasscheldouk , [wasxәldǫŭk] , mannelijk , wasscheldöuker , vaatdoek
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
wasdoek , waskldook , zelfstandig naamwoord , vaatdoek
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
wasdoek , gewėsdouk , wėsdouk , onzijdig , wasdoek.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
wasdoek , wésdouk , onzijdig , wasdoek (gevernist waterdicht weefsel) zie ook: gewėsdouk.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
wasdoek , wasseldook , vaatdoek.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
wasdoek , wasseldoek , vaatdoek.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
wasdoek , wasdoek , het , (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied) = waslap Ie bint zo smerig um de mond, haal de waslappe, ...wasdoek ies èven (Bro), Melkdoken en wasdoken meuj uutkoken (Pes), z. ook waslap
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
wasdoek , wasseldoek , vaatdoek. Ook: wissedoek (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
wasdoek , wasseldoek , vaatdoek.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
wasdoek , gewés dook , zelfstandig naamwoord onzijdig , - , - , zeildoek , VB: gewés dook woerd dêk es taofelläoke gebruk.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
wasdoek , wasseldoek , (zelfstandig naamwoord) , vaatdoek.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
wasdoek , wasseldoek , vaatdoek.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal