elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: watjekouw

watjekouw , watjeskaauw , muilpeer, oorvijg. Dit woord is ook in Noord-Holland gebruikelijk. Zie de Navorscher, 1857, bl. 321.
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
watjekouw , watjekaauw , (vrouwelijk zonder meervoud) , oorveeg, muilpeer, trawaffel, kinnebakslag. Hij heeft een watjekaauw gehad, hij gaf hem een watjekaauw.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
watjekouw , watjekau , katjewou, batjekauel , oorveeg, ook Noord-HollandschZuid-Limburgsch watsj. Zie onder art. snetter. Vgl. Engelsch what-you-call.
katjewou (van Ankum) = oorveeg. Zie: anwaisel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
watjekouw , watjekou , (mannelijk) , Klap, peuter, oorveeg. Ook Gron.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
watjekouw , batjekauel , anwaisel * (zie bldz. 498.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
watjekouw , watjekou , (mannelijk) , Klap, peuter, oorveeg. Ook Gron.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
watjekouw , wantkouw , watjekouw , de , wantkouwen , (Wed). Ook watjekouw = oplawaai, klap, draai om de oren Ik zal hum even een watjekouw verkopen (Wee)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
watjekouw , waksiekow , wapsiekow, watsiekow, watsjekow, watjekouw, watsje , zelfstandig naamwoord , de; watjekouw, oplawaai
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
watjekouw , matjekol , matjekouw , zelfstandig naamwoord , matjekolle, matjekouwe , matjekollechie, matjekouwchie , [O] watjekouw, oorveeg Ook matjekouw
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
watjekouw , watjekou , zelfstandig naamwoord , "oplawaai; Van Beek - ""Iemand een watjekou geven"" betekent een opstopper verkopen. - ""What you call"". (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958); Ewoud Sanders - Waar komt het vandaan? De vroegste verklaring vinden we in 1885 in een bundeling van journalistieke stukken van J. van Rennes, getiteld Vonken en Vlammen. Nieuwe schetsen van een Dagbladcorrespondent. Hierin lezen we: ,,Moet er eerst eens een raadslid een ferme what-you-call - of, zooals wij dat vertalen, ‘watjekou’ – krijgen? ‘t Zou jammer zijn van de lui die vóór den tijd nog dood geslagen worden, als men daarop wacht.” (Blog ‘Woordhoek’, NRC.nl; 2009)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal